Avatar of Vocabulary Set A2 - Voegwoorden en voorzetsels

Vocabulaireverzameling A2 - Voegwoorden en voorzetsels in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Voegwoorden en voorzetsels' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

and

/ænd/

(conjunction) en, bovendien

Voorbeeld:

He bought apples and oranges.
Hij kocht appels en sinaasappels.

or

/ɔːr/

(conjunction) of, oftewel, anders

Voorbeeld:

Do you want tea or coffee?
Wil je thee of koffie?

but

/bʌt/

(conjunction) maar, dan, behalve;

(preposition) behalve, dan;

(adverb) slechts, alleen;

(noun) mits, maar

Voorbeeld:

He is small, but strong.
Hij is klein, maar sterk.

if

/ɪf/

(conjunction) als, indien, of;

(noun) mits, voorwaarde

Voorbeeld:

If it rains, we will stay home.
Als het regent, blijven we thuis.

as

/æz/

(conjunction) terwijl, als, omdat;

(adverb) als, zoals;

(preposition) zoals, zo

Voorbeeld:

He sang as he walked down the street.
Hij zong terwijl hij over straat liep.

because

/bɪˈkʌz/

(conjunction) omdat, doordat

Voorbeeld:

She succeeded because she worked hard.
Ze slaagde omdat ze hard werkte.

so

/soʊ/

(adverb) zo, erg, inderdaad;

(conjunction) dus, daarom

Voorbeeld:

Why are you so sad?
Waarom ben je zo verdrietig?

since

/sɪns/

(preposition) sinds;

(conjunction) sinds, aangezien, omdat;

(adverb) sindsdien

Voorbeeld:

I haven't seen her since last year.
Ik heb haar sinds vorig jaar niet gezien.

now

/naʊ/

(adverb) nu, op dit moment, zojuist;

(interjection) nu, onmiddellijk;

(noun) nu, het heden;

(conjunction) nu, aangezien

Voorbeeld:

I need to leave now.
Ik moet nu vertrekken.

after

/ˈæf.tɚ/

(preposition) na, achter;

(adverb) daarna, later;

(conjunction) achter, op zoek naar

Voorbeeld:

She arrived after the meeting had started.
Ze arriveerde nadat de vergadering was begonnen.

before

/bɪˈfɔːr/

(preposition) voor, voordat;

(adverb) eerder, voorheen;

(conjunction) voordat

Voorbeeld:

Always wash your hands before eating.
Was altijd je handen voordat je eet.

once

/wʌns/

(adverb) eens, één keer, vroeger;

(conjunction) zodra, wanneer

Voorbeeld:

I only met him once.
Ik heb hem maar één keer ontmoet.

although

/ɑːlˈðoʊ/

(conjunction) hoewel, ofschoon;

(adverb) hoewel, echter

Voorbeeld:

Although it was raining, we went for a walk.
Hoewel het regende, gingen we wandelen.

though

/ðoʊ/

(conjunction) hoewel, ofschoon;

(adverb) echter, toch

Voorbeeld:

Though it was raining, we went for a walk.
Hoewel het regende, gingen we wandelen.

that

/ðæt/

(determiner) die, dat;

(pronoun) dat, die;

(adverb) zo, zodanig;

(conjunction) dat, die

Voorbeeld:

Look at that beautiful sunset!
Kijk naar die prachtige zonsondergang!

yet

/jet/

(adverb) nog, al, toch;

(conjunction) toch, maar

Voorbeeld:

He hasn't arrived yet.
Hij is nog niet aangekomen.

when

/wen/

(adverb) wanneer, toen;

(noun) wanneer, tijdstip;

(conjunction) dat, toen

Voorbeeld:

When did you arrive?
Wanneer ben je aangekomen?

whenever

/wenˈev.ɚ/

(conjunction) wanneer, telkens als;

(adverb) wanneer dan ook, op elk moment

Voorbeeld:

You can call me whenever you need help.
Je kunt me bellen wanneer je hulp nodig hebt.

where

/wer/

(adverb) waar, waarheen, waarop;

(conjunction) waar, de plaats waar;

(noun) verblijfplaats, locatie

Voorbeeld:

Where are you going?
Waar ga je heen?

whereas

/werˈæz/

(conjunction) terwijl, daarentegen, overwegende dat

Voorbeeld:

Some people like coffee, whereas others prefer tea.
Sommige mensen houden van koffie, terwijl anderen thee verkiezen.

whether

/ˈweð.ɚ/

(conjunction) of

Voorbeeld:

I'm not sure whether I should go or stay.
Ik weet niet zeker of ik moet gaan of blijven.

during

/ˈdʊr.ɪŋ/

(preposition) tijdens, gedurende

Voorbeeld:

He slept soundly during the flight.
Hij sliep diep tijdens de vlucht.

until

/ənˈtɪl/

(preposition) tot;

(conjunction) totdat

Voorbeeld:

Let's wait until tomorrow.
Laten we wachten tot morgen.

from

/frʌm/

(preposition) van, uit, vanaf

Voorbeeld:

He walked from the house to the car.
Hij liep van het huis naar de auto.

of

/əv/

(preposition) van, voor

Voorbeeld:

A piece of cake.

Een stuk van cake.

through

/θruː/

(preposition) door, gedurende, tijdens;

(adverb) door, klaar met, afgerond;

(adjective) klaar met, af

Voorbeeld:

The train passed through the tunnel.
De trein reed door de tunnel.

except

/ɪkˈsept/

(preposition) behalve, uitgezonderd;

(conjunction) behalve, tenzij;

(verb) uitzonderen, uitsluiten

Voorbeeld:

Everyone went to the party except John.
Iedereen ging naar het feest behalve John.

apart from

/əˈpɑːrt frʌm/

(phrase) behalve, afgezien van

Voorbeeld:

Apart from the occasional headache, I feel fine.
Afgezien van de af en toe hoofdpijn, voel ik me prima.

around

/əˈraʊnd/

(preposition) rond, om, in de buurt;

(adverb) rond, in de buurt, overal

Voorbeeld:

The fence goes around the garden.
Het hek gaat rond de tuin.

by

/baɪ/

(preposition) door, met, bij;

(adverb) voorbij, langs

Voorbeeld:

He traveled by train.
Hij reisde met de trein.

outside

/ˌaʊtˈsaɪd/

(noun) buitenkant, buiten;

(adjective) buiten-, extern;

(adverb) buiten;

(preposition) buiten

Voorbeeld:

The outside of the house needs painting.
De buitenkant van het huis moet geschilderd worden.

inside

/ˈɪn.saɪd/

(noun) binnenkant, interieur;

(adverb) binnen, binnenin;

(adjective) binnenste, intern;

(preposition) binnenin, in

Voorbeeld:

The inside of the box was empty.
De binnenkant van de doos was leeg.

nor

/nɔːr/

(conjunction) noch, ook niet

Voorbeeld:

He is neither rich nor famous.
Hij is noch rijk noch beroemd.

for

/fɔːr/

(preposition) voor, gedurende;

(conjunction) vanwege, voor

Voorbeeld:

This gift is for you.
Dit cadeau is voor jou.

about

/əˈbaʊt/

(preposition) over, betreffende, ongeveer;

(adverb) bijna, op het punt staan;

(adjective) aanwezig, in de buurt

Voorbeeld:

What are you talking about?
Waar heb je het over?

against

/əˈɡenst/

(preposition) tegen, voor

Voorbeeld:

The decision went against my wishes.
De beslissing ging tegen mijn wensen in.

than

/ðæn/

(conjunction) dan, behalve;

(preposition) dan

Voorbeeld:

She is taller than her brother.
Ze is langer dan haar broer.

like

/laɪk/

(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;

(verb) leuk vinden, houden van, willen;

(conjunction) als, zoals;

(adverb) zei, was van mening;

(interjection) zoiets als, was van mening;

(noun) gelijke, soortgelijke

Voorbeeld:

She looks just like her mother.
Ze lijkt precies op haar moeder.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland