Avatar of Vocabulary Set A2 - Kleding en Accessoires

Vocabulaireverzameling A2 - Kleding en Accessoires in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Kleding en Accessoires' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

fashion

/ˈfæʃ.ən/

(noun) mode, stijl, manier;

(verb) vormen, maken

Voorbeeld:

She always dresses in the latest fashion.
Ze kleedt zich altijd volgens de laatste mode.

clothing

/ˈkloʊ.ðɪŋ/

(noun) kleding, kledij

Voorbeeld:

She bought new clothing for her trip.
Ze kocht nieuwe kleding voor haar reis.

blouse

/blaʊs/

(noun) blouse

Voorbeeld:

She wore a silk blouse with a long skirt.
Ze droeg een zijden blouse met een lange rok.

shorts

/ʃɔːrts/

(plural noun) korte broek, short

Voorbeeld:

He wore a T-shirt and shorts to the beach.
Hij droeg een T-shirt en een korte broek naar het strand.

tights

/taɪts/

(plural noun) panty, maillot

Voorbeeld:

The ballerina wore pink tights for her performance.
De ballerina droeg roze panty's voor haar optreden.

pocket

/ˈpɑː.kɪt/

(noun) zak, enclave, gebied;

(verb) in zijn zak steken, op zak steken

Voorbeeld:

He put his keys in his pocket.
Hij stopte zijn sleutels in zijn zak.

button

/ˈbʌt̬.ən/

(noun) knoop, knop;

(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken

Voorbeeld:

She sewed a new button on her coat.
Ze naaide een nieuwe knoop op haar jas.

uniform

/ˈjuː.nə.fɔːrm/

(noun) uniform;

(adjective) uniform, gelijkmatig

Voorbeeld:

The police officer was wearing his full uniform.
De politieagent droeg zijn volledige uniform.

umbrella

/ʌmˈbrel.ə/

(noun) paraplu, zonnescherm, overkoepelende organisatie

Voorbeeld:

Don't forget your umbrella, it's raining outside.
Vergeet je paraplu niet, het regent buiten.

accessory

/əkˈses.ər.i/

(noun) accessoire, toebehoren, medeplichtige;

(adjective) medeplichtig

Voorbeeld:

She bought a new phone accessory.
Ze kocht een nieuw telefoonaccessoire.

watch

/wɑːtʃ/

(verb) kijken, observeren, opletten;

(noun) horloge, wacht, bewaking

Voorbeeld:

I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.

glasses

/ˈɡlæs·əz/

(noun) bril, glas

Voorbeeld:

She put on her glasses to read the small print.
Ze zette haar bril op om de kleine lettertjes te lezen.

sunglasses

/ˈsʌnˌɡlæs.ɪz/

(plural noun) zonnebril

Voorbeeld:

She put on her sunglasses before stepping out into the bright sun.
Ze zette haar zonnebril op voordat ze de felle zon in stapte.

briefcase

/ˈbriːf.keɪs/

(noun) aktetas

Voorbeeld:

He carried his important documents in a leather briefcase.
Hij droeg zijn belangrijke documenten in een leren aktetas.

cap

/kæp/

(noun) pet, muts, dop;

(verb) dichten, afsluiten, maximeren

Voorbeeld:

He wore a baseball cap to the game.
Hij droeg een baseballpet naar de wedstrijd.

bracelet

/ˈbreɪ.slət/

(noun) armband

Voorbeeld:

She wore a beautiful silver bracelet on her wrist.
Ze droeg een mooie zilveren armband om haar pols.

wallet

/ˈwɑː.lɪt/

(noun) portemonnee, beurs

Voorbeeld:

He pulled out his wallet to pay for the coffee.
Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn om de koffie te betalen.

chain

/tʃeɪn/

(noun) ketting, keten;

(verb) ketenen, vastketenen

Voorbeeld:

The dog was tied to a post with a heavy chain.
De hond was met een zware ketting aan een paal gebonden.

earring

/ˈɪr.ɪŋ/

(noun) oorbel

Voorbeeld:

She wore beautiful diamond earrings.
Ze droeg prachtige diamanten oorbellen.

ring

/rɪŋ/

(noun) ring, cirkel, bel;

(verb) rinkelen, luiden, bellen

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond ring on her left hand.
Ze droeg een prachtige diamanten ring aan haar linkerhand.

necklace

/ˈnek.ləs/

(noun) halsketting, ketting

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond necklace.
Ze droeg een prachtige diamanten ketting.

jewelry

/ˈdʒuː.əl.ri/

(noun) sieraden, juwelen

Voorbeeld:

She received a beautiful piece of jewelry as a gift.
Ze ontving een prachtig sieraad als cadeau.

perfume

/ˈpɝː.fjuːm/

(noun) parfum, reukwater;

(verb) parfumeren, geuren

Voorbeeld:

She sprayed a little perfume on her wrist.
Ze spoot een beetje parfum op haar pols.

loose

/luːs/

(adjective) los, loszittend, vrij;

(verb) loslaten, vrijlaten

Voorbeeld:

The button on my shirt is loose.
De knoop op mijn shirt zit los.

tight

/taɪt/

(adjective) strak, vast, dicht;

(adverb) strak, stevig, vast

Voorbeeld:

Make sure the lid is tight.
Zorg ervoor dat het deksel goed dicht is.

fit

/fɪt/

(verb) passen, zitten, passen bij;

(noun) pasvorm, passing, aanval;

(adjective) fit, in vorm, geschikt

Voorbeeld:

These shoes fit perfectly.
Deze schoenen passen perfect.

try on

/traɪ ɑn/

(phrasal verb) passen, aantrekken

Voorbeeld:

She decided to try on the dress before buying it.
Ze besloot de jurk te passen voordat ze hem kocht.

put on

/pʊt ɑːn/

(phrasal verb) aantrekken, opzetten, aanzetten

Voorbeeld:

She decided to put on her favorite dress for the party.
Ze besloot haar favoriete jurk voor het feest aan te trekken.

take off

/teɪk ɔf/

(phrasal verb) uitdoen, afdoen, opstijgen

Voorbeeld:

Please take off your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen uit te doen voordat u het huis binnengaat.

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland