Avatar of Vocabulary Set A1 - Tijd en datum

Vocabulaireverzameling A1 - Tijd en datum in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Tijd en datum' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

clock

/klɑːk/

(noun) klok, uurwerk;

(verb) klokken, meten

Voorbeeld:

The clock on the wall struck noon.
De klok aan de muur sloeg twaalf uur.

time

/taɪm/

(noun) tijd, uur, keer;

(verb) timen, klokken, afstemmen

Voorbeeld:

Time flies when you're having fun.
Tijd vliegt als je plezier hebt.

day

/deɪ/

(noun) dag, tijd, periode;

(adverb) dagelijks, overdag

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

year

/jɪr/

(noun) jaar

Voorbeeld:

The new school year begins in September.
Het nieuwe schooljaar begint in september.

date

/deɪt/

(noun) datum, afspraakje, date;

(verb) dateren, daten, uitgaan met

Voorbeeld:

What's the date today?
Wat is de datum vandaag?

hour

/aʊr/

(noun) uur, tijdstip

Voorbeeld:

The meeting lasted for an hour.
De vergadering duurde een uur.

o'clock

/əˈklɑːk/

(adverb) uur

Voorbeeld:

It's three o'clock.
Het is drie uur.

minute

/ˈmɪn.ɪt/

(noun) minuut, ogenblik, moment;

(adjective) miniem, minuscuul

Voorbeeld:

The meeting will start in five minutes.
De vergadering begint over vijf minuten.

second

/ˈsek.ənd/

(noun) seconde, tweede, tweede plaats;

(ordinal number) tweede;

(verb) steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

The race was won by a mere second.
De race werd gewonnen met slechts één seconde.

morning

/ˈmɔːr.nɪŋ/

(noun) ochtend, morgen;

(exclamation) goedemorgen

Voorbeeld:

I usually wake up early in the morning.
Ik word meestal vroeg in de ochtend wakker.

noon

/nuːn/

(noun) middag, twaalf uur 's middags

Voorbeeld:

Let's meet at noon for lunch.
Laten we om twaalf uur 's middags lunchen.

afternoon

/ˌæf.tɚˈnuːn/

(noun) middag

Voorbeeld:

I'll meet you this afternoon.
Ik ontmoet je vanmiddag.

evening

/ˈiːv.nɪŋ/

(noun) avond

Voorbeeld:

We had dinner together last evening.
We hebben gisteravond samen gegeten.

night

/naɪt/

(noun) nacht;

(adjective) nachtelijk, avond-

Voorbeeld:

The stars shine brightly at night.
De sterren schijnen helder 's nachts.

midnight

/ˈmɪd.naɪt/

(noun) middernacht;

(adjective) middernachtelijk

Voorbeeld:

The clock struck midnight.
De klok sloeg middernacht.

week

/wiːk/

(noun) week, werkweek

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

sunday

/ˈsʌn.deɪ/

(noun) zondag

Voorbeeld:

We usually go to church on Sunday mornings.
We gaan meestal op zondagochtend naar de kerk.

monday

/ˈmʌn.deɪ/

(noun) maandag

Voorbeeld:

I have a meeting on Monday morning.
Ik heb een vergadering op maandagochtend.

tuesday

/ˈtuːz.deɪ/

(noun) dinsdag

Voorbeeld:

I have a meeting on Tuesday morning.
Ik heb een vergadering op dinsdagochtend.

wednesday

/ˈwenz.deɪ/

(noun) woensdag

Voorbeeld:

I have a meeting on Wednesday morning.
Ik heb een vergadering op woensdagochtend.

thursday

/ˈθɝːz.deɪ/

(noun) donderdag

Voorbeeld:

I have a meeting on Thursday morning.
Ik heb een vergadering op donderdagochtend.

friday

/ˈfraɪ.deɪ/

(noun) vrijdag

Voorbeeld:

I'm looking forward to Friday.
Ik kijk uit naar vrijdag.

saturday

/ˈsæt̬.ɚ.deɪ/

(noun) zaterdag

Voorbeeld:

We're going to the beach on Saturday.
We gaan zaterdag naar het strand.

weekend

/ˈwiːk.end/

(noun) weekend

Voorbeeld:

I'm looking forward to the weekend.
Ik kijk uit naar het weekend.

weekday

/ˈwiːk.deɪ/

(noun) weekdag

Voorbeeld:

I usually work on weekdays.
Ik werk meestal op weekdagen.

on

/ɑːn/

(preposition) op, in;

(adverb) aan, in werking, door;

(adjective) doorgaan, gepland

Voorbeeld:

The book is on the table.
Het boek ligt op tafel.

in

/ɪn/

(preposition) in;

(adverb) binnen, thuis, op kantoor;

(adjective) in, populair

Voorbeeld:

The keys are in the drawer.
De sleutels zijn in de lade.

at

/æt/

(preposition) op, aan, om

Voorbeeld:

She is at the park.
Ze is in het park.

next

/nekst/

(adjective) volgende, hierna, naast;

(adverb) vervolgens, daarna

Voorbeeld:

What are you doing next?
Wat ga je hierna doen?

quarter

/ˈkwɔːr.t̬ɚ/

(noun) kwart, vierde deel, kwartje;

(verb) kwartieren, huisvesten

Voorbeeld:

She cut the apple into quarters.
Ze sneed de appel in kwarten.

half

/hæf/

(noun) helft;

(determiner) half;

(adverb) half, gedeeltelijk

Voorbeeld:

She ate half of the apple.
Ze at de helft van de appel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland