Vocabulaireverzameling A1 - Tijd en datum in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Tijd en datum' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) klok, uurwerk;
(verb) klokken, meten
Voorbeeld:
(noun) tijd, uur, keer;
(verb) timen, klokken, afstemmen
Voorbeeld:
(noun) dag, tijd, periode;
(adverb) dagelijks, overdag
Voorbeeld:
(noun) jaar
Voorbeeld:
(noun) datum, afspraakje, date;
(verb) dateren, daten, uitgaan met
Voorbeeld:
(noun) uur, tijdstip
Voorbeeld:
(noun) minuut, ogenblik, moment;
(adjective) miniem, minuscuul
Voorbeeld:
(noun) seconde, tweede, tweede plaats;
(ordinal number) tweede;
(verb) steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) ochtend, morgen;
(exclamation) goedemorgen
Voorbeeld:
(noun) middag, twaalf uur 's middags
Voorbeeld:
(noun) middag
Voorbeeld:
(noun) avond
Voorbeeld:
(noun) nacht;
(adjective) nachtelijk, avond-
Voorbeeld:
(noun) middernacht;
(adjective) middernachtelijk
Voorbeeld:
(noun) week, werkweek
Voorbeeld:
(noun) zondag
Voorbeeld:
(noun) maandag
Voorbeeld:
(noun) dinsdag
Voorbeeld:
(noun) woensdag
Voorbeeld:
(noun) donderdag
Voorbeeld:
(noun) vrijdag
Voorbeeld:
(noun) zaterdag
Voorbeeld:
(noun) weekend
Voorbeeld:
(noun) weekdag
Voorbeeld:
(preposition) op, in;
(adverb) aan, in werking, door;
(adjective) doorgaan, gepland
Voorbeeld:
(preposition) in;
(adverb) binnen, thuis, op kantoor;
(adjective) in, populair
Voorbeeld:
(adjective) volgende, hierna, naast;
(adverb) vervolgens, daarna
Voorbeeld:
(noun) kwart, vierde deel, kwartje;
(verb) kwartieren, huisvesten
Voorbeeld:
(noun) helft;
(determiner) half;
(adverb) half, gedeeltelijk
Voorbeeld: