Avatar of Vocabulary Set A0 - Mijn straat

Vocabulaireverzameling A0 - Mijn straat in A0 - Woordenschat voor beginners: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A0 - Mijn straat' in 'A0 - Woordenschat voor beginners' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

run

/rʌn/

(verb) rennen, lopen, werken;

(noun) loop, ren, periode

Voorbeeld:

She decided to run a marathon next year.
Ze besloot volgend jaar een marathon te rennen.

tree

/triː/

(noun) boom, diagram;

(verb) de boom injagen, opjagen

Voorbeeld:

The old oak tree stood tall in the forest.
De oude eikenboom stond hoog in het bos.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

bookshop

/ˈbʊk.ʃɑːp/

(noun) boekwinkel

Voorbeeld:

I spent hours browsing in the local bookshop.
Ik heb urenlang rondgeneusd in de plaatselijke boekwinkel.

shop

/ʃɑːp/

(noun) winkel, zaak, werkplaats;

(verb) winkelen, kopen, verlinken

Voorbeeld:

I need to go to the grocery shop.
Ik moet naar de kruidenierswinkel.

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

bus

/bʌs/

(noun) bus;

(verb) met de bus vervoeren

Voorbeeld:

I take the bus to work every day.
Ik neem elke dag de bus naar mijn werk.

boat

/boʊt/

(noun) boot, vaartuig;

(verb) varen, bootje varen

Voorbeeld:

We took a small boat out on the lake.
We namen een kleine boot mee het meer op.

lorry

/ˈlɔːr.i/

(noun) vrachtwagen

Voorbeeld:

The lorry was loaded with timber.
De vrachtwagen was geladen met hout.

motorbike

/ˈmoʊ.t̬ɚ.baɪk/

(noun) motorfiets, motor

Voorbeeld:

He rode his motorbike through the winding mountain roads.
Hij reed met zijn motorfiets door de kronkelende bergweggetjes.

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.

car

/kɑːr/

(noun) auto, wagon, rijtuig

Voorbeeld:

He bought a new car last week.
Hij kocht vorige week een nieuwe auto.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

airplane

/ˈer.pleɪn/

(noun) vliegtuig

Voorbeeld:

The airplane took off smoothly from the runway.
Het vliegtuig steeg soepel op van de landingsbaan.

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland