Vocabulaireverzameling Mogelijkheid en Waarschijnlijkheid in Zekerheid en Twijfel: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Mogelijkheid en Waarschijnlijkheid' in 'Zekerheid en Twijfel' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) a priori, voorafgaand;
(adverb) a priori, vooraf
Voorbeeld:
(idiom) hoogstwaarschijnlijk, waarschijnlijk wel
Voorbeeld:
(modal verb) kon, zou kunnen, kan
Voorbeeld:
(adverb) gemakkelijk, eenvoudig, veruit
Voorbeeld:
(adjective) verwacht;
(past participle) verwachten
Voorbeeld:
(phrase) ik durf te zeggen, waarschijnlijk, ik ben ervan overtuigd
Voorbeeld:
(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk, geschikt;
(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk
Voorbeeld:
(verb) kijken, zoeken, lijken;
(noun) blik, uitstraling, uiterlijk
Voorbeeld:
(modal verb) zou kunnen, misschien;
(noun) kracht, macht
Voorbeeld:
(adverb) ongetwijfeld, zonder twijfel
Voorbeeld:
(modal verb) zou moeten, behoort te
Voorbeeld:
(noun) levenshouding, gezichtspunt, perspectief;
(trademark) Outlook, Microsoft Outlook
Voorbeeld:
(adjective) paradoxaal, tegenstrijdig
Voorbeeld:
(adverb) misschien, wellicht
Voorbeeld:
(noun) mogelijkheid, optie, kans
Voorbeeld:
(adjective) mogelijk, haalbaar, potentieel
Voorbeeld:
(adverb) vermoedelijk, waarschijnlijk
Voorbeeld:
(noun) vermoeden, aanname, aanmatiging
Voorbeeld:
(adjective) probabilistisch, waarschijnlijkheids-
Voorbeeld:
(noun) waarschijnlijkheid, kans, kansberekening
Voorbeeld:
(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk
Voorbeeld:
(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk
Voorbeeld:
(idiom) veilige gok, zekerheidje
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(idiom) een kans maken, een mogelijkheid hebben
Voorbeeld:
(adjective) verdacht, vermoedelijk, mogelijk;
(verb) verdenken, vermoeden
Voorbeeld:
(adverb) goed, ruim;
(adjective) goed, gezond;
(interjection) nou, wel;
(noun) put, bron;
(verb) opwellen, stromen
Voorbeeld:
(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;
(noun) wil, wilskracht, testament;
(verb) vermaken, nalaten
Voorbeeld:
(plural noun) kansen, waarschijnlijkheid, noteringen
Voorbeeld: