Vocabulaireverzameling Gebouwen Beschrijven in Architectuur en Constructie: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Gebouwen Beschrijven' in 'Architectuur en Constructie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) geconditioneerd, met airconditioning
Voorbeeld:
(adjective) binnen, binnenshuis
Voorbeeld:
(adjective) leeg, vrij, afwezig
Voorbeeld:
(adjective) gestuct;
(verb) stucen, pleisteren
Voorbeeld:
(adverb) boven, naar boven;
(adjective) bovenste, bovenverdieping;
(noun) bovenverdieping
Voorbeeld:
(noun) samenvatting, overzicht;
(adjective) vervallen, bouwvallig
Voorbeeld:
(adjective) schilderachtig, pittoresk
Voorbeeld:
(noun) interieur, binnenkant, binnenland;
(adjective) binnenste, intern
Voorbeeld:
(adjective) formeel, officieel, gestructureerd
Voorbeeld:
(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;
(adjective) extern, buiten-
Voorbeeld:
(adjective) exclusief, beperkt, uitsluitend;
(noun) exclusief, primeur
Voorbeeld:
(adverb) beneden, naar beneden;
(adjective) beneden, onder;
(noun) benedenverdieping
Voorbeeld:
(adjective) vervallen, bouwvallig, verwaarloosd
Voorbeeld:
(adjective) krap, benauwd;
(verb) beperken, belemmeren
Voorbeeld:
(noun) sieraad, juweel, optrekje;
(adjective) klein en elegant, sierlijk
Voorbeeld:
(adjective) architectonisch
Voorbeeld:
(adjective) gebogen, gewelfd
Voorbeeld:
(adjective) verlaten, achtergelaten, onbelemmerd
Voorbeeld:
(adjective) gewelfd;
(verb) springen, overspringen
Voorbeeld:
(adjective) onbezet, leeg, vrij
Voorbeeld:
(adjective) bouwvallig, vervallen
Voorbeeld:
(adjective) split-level, huis met verspringende verdiepingen
Voorbeeld:
(adjective) ruim, spacieus
Voorbeeld:
(adjective) twee-onder-een-kapwoning, halfvrijstaand huis;
(noun) twee-onder-een-kapwoning, halfvrijstaand huis
Voorbeeld:
(adjective) wandelend, zwervend, uitgestrekt
Voorbeeld:
(adjective) paleisachtig, vorstelijk
Voorbeeld:
(adjective) open, open-plan
Voorbeeld:
(adjective) niet-residentieel
Voorbeeld:
(adjective) modulair, uit onafhankelijke eenheden bestaand
Voorbeeld:
(adjective) omgracht
Voorbeeld:
(noun) laagbouw, gebouw met weinig verdiepingen;
(adjective) laag, met lage taille
Voorbeeld:
(noun) hoogbouw, wolkenkrabber;
(adjective) hoog, met veel verdiepingen
Voorbeeld:
(adjective) hoog, verheven, nobel
Voorbeeld:
(adjective) ionisch, Ionisch
Voorbeeld:
(adjective) puntgevel, met puntgevels
Voorbeeld:
(adjective) Dorisch
Voorbeeld:
(adjective) losstaand, afzonderlijk, afstandelijk
Voorbeeld:
(adjective) verlaten, verwaarloosd, vervallen;
(noun) dakloze, verlaten persoon
Voorbeeld:
(adjective) Korinthisch, Korinthisch (bouwstijl);
(noun) Korinthiër
Voorbeeld:
(adjective) koloniaal
Voorbeeld:
(adjective) muur-tot-muur, kamerbreed, bomvol
Voorbeeld:
(adjective) jaloezieën, met lamellen
Voorbeeld:
(adjective) dubbelglas
Voorbeeld:
(adjective) geprefabriceerd, modulair, standaard
Voorbeeld:
(adjective) geïsoleerd, afgeschermd;
(past participle) isoleren
Voorbeeld:
(noun) beton;
(adjective) concreet, tastbaar;
(verb) betonneren
Voorbeeld:
(adjective) gelood, loodhoudend, glas-in-lood
Voorbeeld: