Vocabulaireverzameling Onenigheid en Oppositie 4 in Overeenkomst: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Onenigheid en Oppositie 4' in 'Overeenkomst' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) direct, rechtstreeks;
(adverb) rechtstreeks, direct
Voorbeeld:
(adjective) ketters, afwijkend, onconventioneel
Voorbeeld:
(adjective) heterodox, afwijkend
Voorbeeld:
(noun) heterodoxie, afwijkende leer
Voorbeeld:
(adjective) vijandig, onvriendelijk, vijandelijk
Voorbeeld:
(noun) vijandigheid, hostiliteit, vijandelijkheden
Voorbeeld:
(noun) gevoelig onderwerp, hot item
Voorbeeld:
(noun) impasse, doodlopende weg
Voorbeeld:
(noun) incident, voorval, confrontatie
Voorbeeld:
(noun) interne strijd, onderlinge strijd, infighting
Voorbeeld:
(adjective) onverenigbaar, onverzoenlijk
Voorbeeld:
(noun) kwestie, probleem, punt;
(verb) uitgeven, uitreiken, verstrekken
Voorbeeld:
(verb) steekspelen, toernooien;
(noun) steekspel, toernooi
Voorbeeld:
(noun) slot, sluis, lok;
(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren
Voorbeeld:
(idiom) botsen, ruzie maken, in conflict komen
Voorbeeld:
(idiom) gehakt maken van, met de grond gelijk maken
Voorbeeld:
(noun) misverstand, vergissing
Voorbeeld:
(phrasal verb) het aanleggen, vechten, afwisselen
Voorbeeld:
(noun) negatie, ontkenning, afwezigheid
Voorbeeld:
(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;
(noun) negatief, ontkenning
Voorbeeld:
(verb) knagen, dwarszitten, irriteren;
(noun) kwaal, twijfel, irritatie
Voorbeeld:
(determiner) geen;
(exclamation) nee;
(noun) nee, afwijzing
Voorbeeld:
(idiom) geen kwaad bloed, geen wrok
Voorbeeld:
(phrase) niet waarschijnlijk, onwaarschijnlijk
Voorbeeld:
(noun) voorwerp, object, doel;
(verb) bezwaar maken, tegenwerpen
Voorbeeld:
(exclamation) oké, goed;
(adverb) oké, goed;
(adjective) oké, acceptabel;
(verb) goedkeuren, autoriseren;
(noun) goedkeuring, toestemming
Voorbeeld:
(noun) tegenstander, opponent, bezwaarmaker
Voorbeeld:
(verb) zich verzetten tegen, tegenwerken, tegenover plaatsen
Voorbeeld:
(adjective) tegen, gekant
Voorbeeld:
(noun) oppositie, weerstand, oppositiepartij
Voorbeeld:
(adjective) oppositioneel, tegenstrijdig
Voorbeeld:
(idiom) uit de hand, onbeheersbaar, onmiddellijk
Voorbeeld: