Avatar of Vocabulary Set Onenigheid en Oppositie 1

Vocabulaireverzameling Onenigheid en Oppositie 1 in Overeenkomst: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Onenigheid en Oppositie 1' in 'Overeenkomst' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

adversary

/ˈæd.vɚ.ser.i/

(noun) tegenstander, vijand

Voorbeeld:

He faced his old adversary in the final round.
Hij stond tegenover zijn oude tegenstander in de laatste ronde.

against

/əˈɡenst/

(preposition) tegen, voor

Voorbeeld:

The decision went against my wishes.
De beslissing ging tegen mijn wensen in.

all hell breaks loose

/ɔːl hel breɪks luːs/

(idiom) de hel breekt los, chaos ontstaat

Voorbeeld:

When the fire alarm went off, all hell broke loose in the building.
Toen het brandalarm afging, brak de hel los in het gebouw.

altercation

/ˌɑːl.tɚˈkeɪ.ʃən/

(noun) ruzie, woordenwisseling, altercatie

Voorbeeld:

The police were called to break up an altercation between two neighbors.
De politie werd gebeld om een ruzie tussen twee buren te beëindigen.

anti

/ˈæn.t̬i/

(adjective) anti, tegen;

(noun) tegenstander, anti;

(prefix) anti, tegen

Voorbeeld:

She is anti-war.
Zij is anti-oorlog.

argue

/ˈɑːrɡ.juː/

(verb) betogen, pleiten, ruziën

Voorbeeld:

The lawyer tried to argue that his client was innocent.
De advocaat probeerde te betogen dat zijn cliënt onschuldig was.

argument

/ˈɑːrɡ.jə.mənt/

(noun) ruzie, discussie, geschil

Voorbeeld:

They had a fierce argument about politics.
Ze hadden een heftige ruzie over politiek.

argue with

/ˈɑːrɡjuː wɪð/

(phrasal verb) ruzie maken met, discussieren met, betwisten

Voorbeeld:

I don't want to argue with you about this.
Ik wil hier niet met je over ruzie maken.

argumentative

/ˌɑːrɡ.jəˈmen.t̬ə.t̬ɪv/

(adjective) argumentatief, twistziek

Voorbeeld:

He's a very argumentative person, always ready for a debate.
Hij is een zeer argumentatief persoon, altijd klaar voor een debat.

as a matter of fact

/æz ə ˈmæt.ər əv fækt/

(phrase) in feite, inderdaad

Voorbeeld:

I thought he was angry, but as a matter of fact, he was quite pleased.
Ik dacht dat hij boos was, maar in feite was hij best tevreden.

athwart

/əˈθwɔrt/

(preposition) dwars over, overheen;

(adverb) dwars, schuin

Voorbeeld:

A fallen tree lay athwart the path.
Een omgevallen boom lag dwars over het pad.

at odds

/æt ˈɑːdz/

(idiom) in conflict, in strijd

Voorbeeld:

The two brothers are always at odds with each other.
De twee broers zijn altijd met elkaar in conflict.

bad feelings

/bæd ˈfiːlɪŋz/

(plural noun) slechte gevoelens, onaangename emoties

Voorbeeld:

After the argument, there were a lot of bad feelings between them.
Na de ruzie waren er veel slechte gevoelens tussen hen.

battle

/ˈbæt̬.əl/

(noun) slag, gevecht, strijd;

(verb) vechten, strijden

Voorbeeld:

The army won a decisive battle.
Het leger won een beslissende slag.

battleground

/ˈbæt̬.əl.ɡraʊnd/

(noun) slagveld, strijdtoneel, twistpunt

Voorbeeld:

The ancient field was a historic battleground.
Het oude veld was een historisch slagveld.

at each other's throats

/æt iːtʃ ˈʌðərz θroʊts/

(idiom) elkaar in de haren vliegen, ruzie maken

Voorbeeld:

The two brothers are always at each other's throats.
De twee broers vliegen elkaar altijd in de haren.

bellicose

/ˈbel.ə.koʊs/

(adjective) oorlogszuchtig, strijdlustig

Voorbeeld:

His bellicose attitude made negotiations difficult.
Zijn oorlogszuchtige houding maakte onderhandelingen moeilijk.

bellicosity

/ˌbel.ɪˈkɑː.sɪ.ti/

(noun) oorlogszuchtigheid, strijdlustigheid

Voorbeeld:

The diplomat's bellicosity surprised everyone at the peace talks.
De oorlogszuchtigheid van de diplomaat verraste iedereen bij de vredesbesprekingen.

bicker

/ˈbɪk.ɚ/

(verb) bekvechten, kibbelen;

(noun) gekibbel, ruzie

Voorbeeld:

The children always bicker over toys.
De kinderen bekvechten altijd over speelgoed.

bickering

/ˈbɪk.ɚ.ɪŋ/

(noun) gekibbel, ruzie;

(verb) kibbelen, ruziemaken

Voorbeeld:

Their constant bickering over small things was annoying.
Hun constante gekibbel over kleine dingen was irritant.

a bone of contention

/ə ˌboʊn əv kənˈten.ʃən/

(idiom) twistpunt, punt van discussie

Voorbeeld:

The division of assets became a bone of contention during the divorce proceedings.
De verdeling van de activa werd een twistpunt tijdens de echtscheidingsprocedure.

but

/bʌt/

(conjunction) maar, dan, behalve;

(preposition) behalve, dan;

(adverb) slechts, alleen;

(noun) mits, maar

Voorbeeld:

He is small, but strong.
Hij is klein, maar sterk.

carry on

/ˈkær.i ɑːn/

(phrasal verb) doorgaan, voortzetten, zich aanstellen

Voorbeeld:

Please carry on with your work.
Ga alsjeblieft door met je werk.

challenging

/ˈtʃæl.ɪn.dʒɪŋ/

(adjective) uitdagend, moeilijk

Voorbeeld:

Learning a new language can be very challenging.
Een nieuwe taal leren kan erg uitdagend zijn.

clash

/klæʃ/

(noun) klap, botsing, gerinkel;

(verb) botsen, klappen, kletteren

Voorbeeld:

The swords met with a loud clash.
De zwaarden ontmoetten elkaar met een luide klap.

collide

/kəˈlaɪd/

(verb) botsen, kollideren, conflicteren

Voorbeeld:

The two cars collided at the intersection.
De twee auto's botsten op het kruispunt.

collision

/kəˈlɪʒ.ən/

(noun) botsing, aanrijding, conflict

Voorbeeld:

There was a serious collision between two cars on the highway.
Er was een ernstige botsing tussen twee auto's op de snelweg.

combative

/ˈkɑːm.bə.t̬ɪv/

(adjective) strijdlustig, agressief, vechtlustig

Voorbeeld:

He was in a combative mood after the argument.
Hij was in een strijdlustige bui na de ruzie.

come off it

/kʌm ɔf ɪt/

(idiom) hou toch op, kom op

Voorbeeld:

Oh, come off it, you don't really believe that, do you?
Ach, hou toch op, dat geloof je toch niet echt?

conflict

/ˈkɑːn.flɪkt/

(noun) conflict, ruzie, geschil;

(verb) botsen, conflicteren, strijden

Voorbeeld:

There was a lot of conflict between the two brothers.
Er was veel conflict tussen de twee broers.

confront

/kənˈfrʌnt/

(verb) confronteren, onder ogen zien, voorleggen

Voorbeeld:

She decided to confront her accuser in court.
Ze besloot haar aanklager in de rechtbank te confronteren.

confrontation

/ˌkɑːn.frənˈteɪ.ʃən/

(noun) confrontatie, botsing, blootstelling

Voorbeeld:

The police tried to avoid a direct confrontation with the protesters.
De politie probeerde een directe confrontatie met de demonstranten te vermijden.

confrontational

/ˌkɑːn.frənˈteɪ.ʃən.əl/

(adjective) confronterend, strijdlustig

Voorbeeld:

His confrontational style often alienated his colleagues.
Zijn confronterende stijl vervreemdde vaak zijn collega's.

contention

/kənˈten.tʃən/

(noun) onenigheid, geschil, twist

Voorbeeld:

The main point of contention was the budget allocation.
Het belangrijkste punt van onenigheid was de begrotingstoewijzing.

contentious

/kənˈten.tʃəs/

(adjective) omstreden, controversieel, ruzieachtig

Voorbeeld:

The new policy proved to be highly contentious.
Het nieuwe beleid bleek zeer omstreden te zijn.

contradict

/ˌkɑːn.trəˈdɪkt/

(verb) weerspreken, tegenspreken, weerleggen

Voorbeeld:

The witness's testimony seemed to contradict the evidence.
De getuigenis van de getuige leek het bewijs te weerspreken.

contrarian

/kənˈtrer.i.ən/

(noun) dwarsligger, contrarian;

(adjective) contrariaans, afwijkend

Voorbeeld:

He's always been a contrarian, arguing against popular beliefs.
Hij is altijd een dwarsligger geweest, die tegen populaire overtuigingen inging.

contretemps

/ˈkɑːn.trə.tɑː/

(noun) akkefietje, kleine ruzie, incident

Voorbeeld:

There was a slight contretemps over who would pay the bill.
Er was een klein akkefietje over wie de rekening zou betalen.

controversial

/ˌkɑːn.trəˈvɝː.ʃəl/

(adjective) controversieel, omstreden

Voorbeeld:

The new policy is highly controversial.
Het nieuwe beleid is zeer controversieel.

controversially

/ˌkɑːn.trəˈvɝː.ʃəl.i/

(adverb) controversieel, omstreden

Voorbeeld:

The new policy was controversially implemented without public consultation.
Het nieuwe beleid werd controversieel geïmplementeerd zonder openbare raadpleging.

controversy

/ˈkɑːn.trə.vɝː.si/

(noun) controverse, geschil, discussie

Voorbeeld:

The new policy sparked a huge controversy.
Het nieuwe beleid veroorzaakte een enorme controverse.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland