Vocabulaireverzameling Samenwerking en Conformiteit in Overeenkomst: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Samenwerking en Conformiteit' in 'Overeenkomst' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) samenwerken, collaboreren
Voorbeeld:
(noun) samenwerking, medewerking
Voorbeeld:
(adjective) samenwerkend, gezamenlijk
Voorbeeld:
(adjective) collectief, gezamenlijk;
(noun) collectief, gemeenschap
Voorbeeld:
(verb) samenspannen, colluderen
Voorbeeld:
(noun) samenspanning, collusie
Voorbeeld:
(adjective) heimelijk, samenzweerderig
Voorbeeld:
(noun) gemeenschappelijke grond, raakvlak
Voorbeeld:
(adjective) conform, gehoorzaam, flexibel
Voorbeeld:
(verb) voldoen aan, zich conformeren aan, overeenkomen
Voorbeeld:
(adjective) conform, overeenkomstig, gehoorzaam
Voorbeeld:
(noun) conformiteit, overeenstemming
Voorbeeld:
(noun) conformiteit, naleving, aanpassing
Voorbeeld:
(noun) overeenstemming, harmonie, consonantie
Voorbeeld:
(noun) medeklinker;
(adjective) overeenstemmend, harmonieus
Voorbeeld:
(verb) samenwerken, coopereren, meewerken
Voorbeeld:
(noun) samenwerking, coöperatie
Voorbeeld:
(adjective) coöperatief, samenwerkend, meewerkend;
(noun) coöperatie
Voorbeeld:
(verb) coördineren, afstemmen, matchen;
(noun) coördinaat, coördinaten;
(adjective) gelijkwaardig, coördinerend
Voorbeeld:
(verb) passen, zitten, passen bij;
(noun) pasvorm, passing, aanval;
(adjective) fit, in vorm, geschikt
Voorbeeld:
(phrase) in overeenstemming met, conform
Voorbeeld:
(phrase) synchroon, op één lijn
Voorbeeld:
(noun) gewricht, verbinding, voeg;
(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;
(verb) verbinden, samenvoegen
Voorbeeld:
(adverb) gezamenlijk, samen
Voorbeeld:
(idiom) gezamenlijk optrekken met, samenwerken met
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
(phrasal verb) meespelen, doen alsof
Voorbeeld:
(noun) vierkant, plein, kwadraat;
(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;
(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;
(adverb) recht, precies
Voorbeeld:
(phrasal verb) overeenkomen met, stroken met
Voorbeeld:
(phrasal verb) aansluiten bij, overeenkomen met
Voorbeeld: