Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 30 - Ernstig ziek: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 30 - Ernstig ziek' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

allergic

/əˈlɝː.dʒɪk/

(adjective) allergisch, een hekel hebben aan

Voorbeeld:

I'm allergic to peanuts.
Ik ben allergisch voor pinda's.

blind

/blaɪnd/

(adjective) blind, onwetend;

(verb) verblinden, blind maken, misleiden;

(noun) jaloezie, blind

Voorbeeld:

She has been blind since birth.
Ze is al sinds haar geboorte blind.

cavity

/ˈkæv.ə.t̬i/

(noun) holte, ruimte, gaatje

Voorbeeld:

The surgeon examined the abdominal cavity.
De chirurg onderzocht de buikholte.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

cosmetic

/kɑːzˈmet̬.ɪk/

(noun) cosmetica, make-up;

(adjective) cosmetisch, oppervlakkig

Voorbeeld:

She applied her favorite cosmetic before going out.
Ze bracht haar favoriete cosmetica aan voordat ze uitging.

feel sick

/fil sɪk/

(phrase) zich ziek voelen, misselijk zijn

Voorbeeld:

I feel sick after eating that spicy food.
Ik voel me ziek na het eten van dat pittige eten.

fitness

/ˈfɪt.nəs/

(noun) conditie, fitheid, geschiktheid

Voorbeeld:

Regular exercise is essential for good fitness.
Regelmatige lichaamsbeweging is essentieel voor een goede conditie.

gym

/dʒɪm/

(noun) sportschool, gym

Voorbeeld:

I go to the gym three times a week.
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.

have an injection

/hæv æn ɪnˈdʒɛk.ʃən/

(phrase) een injectie krijgen, een prik krijgen

Voorbeeld:

I had to have an injection before my trip to Africa.
Ik moest een injectie krijgen voor mijn reis naar Afrika.

medical facility

/ˈmed.ɪ.kəl fəˈsɪl.ə.t̬i/

(noun) medische faciliteit, zorginstelling

Voorbeeld:

The town needs a new medical facility to serve its growing population.
De stad heeft een nieuwe medische faciliteit nodig om de groeiende bevolking te bedienen.

raincoat

/ˈreɪŋ.koʊt/

(noun) regenjas, regenmantel

Voorbeeld:

Don't forget your raincoat; it's going to pour.
Vergeet je regenjas niet; het gaat gieten.

surgery

/ˈsɝː.dʒər.i/

(noun) operatie, chirurgie, praktijk

Voorbeeld:

She had to undergo emergency surgery for appendicitis.
Ze moest een spoedoperatie ondergaan voor blindedarmontsteking.

toothache

/ˈtuːθ.eɪk/

(noun) tandpijn

Voorbeeld:

I have a terrible toothache and need to see a dentist.
Ik heb vreselijke tandpijn en moet naar de tandarts.

treat

/triːt/

(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;

(noun) traktatie, verwennerij, rondje

Voorbeeld:

She treats everyone with respect.
Ze behandelt iedereen met respect.

vision

/ˈvɪʒ.ən/

(noun) zicht, gezichtsvermogen, visie

Voorbeeld:

Her vision is excellent, even without glasses.
Haar zicht is uitstekend, zelfs zonder bril.

workout

/ˈwɝː.kaʊt/

(noun) training, workout;

(verb) sporten, trainen

Voorbeeld:

I had a great workout at the gym today.
Ik had vandaag een geweldige training in de sportschool.

beat

/biːt/

(verb) slaan, afranselen, verslaan;

(noun) beat, ritme, slag;

(adjective) uitgeput, moe

Voorbeeld:

He was severely beaten by the attackers.
Hij werd zwaar geslagen door de aanvallers.

blink

/blɪŋk/

(verb) knipperen, oogleden sluiten en openen, flitsen;

(noun) knipper, oogopslag

Voorbeeld:

She didn't even blink when she heard the bad news.
Ze knipperde niet eens toen ze het slechte nieuws hoorde.

cure

/kjʊr/

(noun) geneesmiddel, kuur;

(verb) genezen, helen, conserveren

Voorbeeld:

Scientists are still searching for a cure for cancer.
Wetenschappers zoeken nog steeds naar een geneesmiddel tegen kanker.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

healing

/ˈhiː.lɪŋ/

(noun) genezing, heling;

(adjective) genezend, helend

Voorbeeld:

The wound is showing signs of rapid healing.
De wond vertoont tekenen van snelle genezing.

internal

/ɪnˈtɝː.nəl/

(adjective) intern, binnen-, binnenlands

Voorbeeld:

The doctor examined his internal organs.
De dokter onderzocht zijn interne organen.

lung

/lʌŋ/

(noun) long

Voorbeeld:

Smoking can cause serious damage to your lungs.
Roken kan ernstige schade aan je longen veroorzaken.

organ

/ˈɔːr.ɡən/

(noun) orgaan, orgel, spreekbuis

Voorbeeld:

The heart is a vital organ.
Het hart is een vitaal orgaan.

remedy

/ˈrem.ə.di/

(noun) middel, remedie, oplossing;

(verb) verhelpen, herstellen

Voorbeeld:

There is no known remedy for the common cold.
Er is geen bekend middel tegen verkoudheid.

stomach ache

/ˈstʌm.ək eɪk/

(noun) buikpijn, maagpijn

Voorbeeld:

I ate too much and now I have a stomach ache.
Ik heb te veel gegeten en nu heb ik buikpijn.

well-being

/ˌwelˈbiː.ɪŋ/

(noun) welzijn, welbevinden

Voorbeeld:

Regular exercise contributes to overall well-being.
Regelmatige lichaamsbeweging draagt bij aan het algehele welzijn.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland