Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 28 - Klassiek: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 28 - Klassiek' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

armchair

/ˈɑːrm.tʃer/

(noun) fauteuil, leunstoel;

(adjective) fauteuil-, theoretisch

Voorbeeld:

He relaxed in his favorite armchair by the fireplace.
Hij ontspande in zijn favoriete fauteuil bij de open haard.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

cleanup

/ˈklinˌʌp/

(noun) schoonmaak, opruiming, zuivering

Voorbeeld:

We need to do a major cleanup after the party.
We moeten een grote schoonmaak doen na het feest.

decoration

/ˌdek.ərˈeɪ.ʃən/

(noun) decoratie, versiering, onderscheiding

Voorbeeld:

The decoration of the hall took several hours.
De decoratie van de hal duurde enkele uren.

fence

/fens/

(noun) hek, omheining, heler;

(verb) omheinen, afzetten, schermen

Voorbeeld:

The farmer built a new fence around his pasture.
De boer bouwde een nieuw hek rond zijn weide.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

frame

/freɪm/

(noun) lijst, kozijn, frame;

(verb) lijsten, inlijsten, formuleren

Voorbeeld:

The old photograph was in a beautiful wooden frame.
De oude foto zat in een prachtige houten lijst.

furniture

/ˈfɝː.nɪ.tʃɚ/

(noun) meubels, meubilair

Voorbeeld:

We bought new furniture for the living room.
We kochten nieuwe meubels voor de woonkamer.

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

heating system

/ˈhiː.t̬ɪŋ ˌsɪs.təm/

(noun) verwarmingssysteem, verwarming

Voorbeeld:

The heating system broke down during the coldest week of winter.
Het verwarmingssysteem ging kapot tijdens de koudste week van de winter.

lobby

/ˈlɑː.bi/

(noun) lobby, belangengroep, hal;

(verb) lobbyen, beïnvloeden

Voorbeeld:

The gun lobby is very powerful in this country.
De wapenlobby is erg machtig in dit land.

remodeling

/ˌriːˈmɑːd.əl.ɪŋ/

(noun) verbouwing, renovatie, herinrichting;

(verb) verbouwen, renoveren, herinrichten

Voorbeeld:

The kitchen remodeling project took three months to complete.
Het verbouwingsproject van de keuken duurde drie maanden om te voltooien.

rooftop

/ˈruːf.tɑːp/

(noun) dakterras, dak

Voorbeeld:

We enjoyed a beautiful view from the rooftop bar.
We genoten van een prachtig uitzicht vanaf de dakterrasbar.

rope

/roʊp/

(noun) touw, kabel;

(verb) vastbinden, vastmaken met touw

Voorbeeld:

He tied the boat to the dock with a thick rope.
Hij bond de boot met een dik touw aan de kade.

stick

/stɪk/

(noun) stok, tak, lat;

(verb) plakken, kleven, steken

Voorbeeld:

He picked up a stick from the ground.
Hij raapte een stok van de grond op.

tank

/tæŋk/

(noun) tank, reservoir;

(verb) mislukken, instorten

Voorbeeld:

The car's fuel tank is almost empty.
De brandstoftank van de auto is bijna leeg.

veranda

/vəˈræn.də/

(noun) veranda, galerij

Voorbeeld:

We sat on the veranda, enjoying the evening breeze.
We zaten op de veranda, genietend van de avondbries.

desktop

/ˈdesk.tɑːp/

(noun) bureaublad, desktopcomputer, desktop

Voorbeeld:

He cleared his desktop before starting work.
Hij ruimde zijn bureaublad op voordat hij begon met werken.

dwell

/dwel/

(verb) wonen, verblijven

Voorbeeld:

They dwell in a small cottage by the river.
Zij wonen in een klein huisje aan de rivier.

fireplace

/ˈfaɪr.pleɪs/

(noun) open haard, schoorsteenmantel

Voorbeeld:

We gathered around the fireplace to keep warm.
We verzamelden ons rond de open haard om warm te blijven.

heat

/hiːt/

(noun) hitte, warmte, hartstocht;

(verb) verwarmen, opwarmen

Voorbeeld:

The heat from the sun was intense.
De hitte van de zon was intens.

homemade

/ˌhoʊmˈmeɪd/

(adjective) zelfgemaakt, huisgemaakt

Voorbeeld:

She brought a delicious homemade cake to the party.
Ze bracht een heerlijke zelfgemaakte cake mee naar het feest.

homeowner

/ˈhoʊmˌoʊ.nɚ/

inhabit

/ɪnˈhæb.ɪt/

(verb) bewonen, leven in

Voorbeeld:

Many different species inhabit the rainforest.
Veel verschillende soorten bewonen het regenwoud.

lighten

/ˈlaɪ.t̬ən/

(verb) lichter maken, verlichten, oplichten

Voorbeeld:

We need to lighten the load on the truck.
We moeten de lading op de vrachtwagen lichter maken.

neighbor

/ˈneɪ.bɚ/

(noun) buur, buurman, buurvrouw;

(verb) grenzen aan, naast liggen

Voorbeeld:

Our neighbor brought us a pie.
Onze buurman bracht ons een taart.

urban

/ˈɝː.bən/

(adjective) stedelijk, urbaan

Voorbeeld:

Urban areas often have higher population densities.
Stedelijke gebieden hebben vaak hogere bevolkingsdichtheden.

washing machine

/ˈwɑː.ʃɪŋ məˌʃiːn/

(noun) wasmachine

Voorbeeld:

I need to buy a new washing machine.
Ik moet een nieuwe wasmachine kopen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland