Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 16 - Handelsakkoord: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 16 - Handelsakkoord' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrasal verb) achteruitwijken, terugdeinzen, afzien van
Voorbeeld:
(phrase) gesloten voor vandaag, dicht voor de rest van de dag
Voorbeeld:
(phrase) vastbesloten zijn om te doen
Voorbeeld:
(noun) werkdag, kantoordag
Voorbeeld:
(noun) commerciële ruimte, bedrijfsruimte, commerciële ruimtevaart
Voorbeeld:
(noun) overmorgen;
(adverb) overmorgen
Voorbeeld:
(noun) voorpaginanieuws, voorpagina-artikel
Voorbeeld:
(phrase) een goede prijs geven, een scherpe prijs maken
Voorbeeld:
(noun) kop, hoofding;
(verb) headlinen, de hoofdact zijn
Voorbeeld:
(phrase) op voorraad, beschikbaar
Voorbeeld:
(phrasal verb) leiden tot, veroorzaken
Voorbeeld:
(phrase) een opname maken
Voorbeeld:
(phrase) normale openingstijden, reguliere werktijden
Voorbeeld:
(phrase) in de aanbieding, in de uitverkoop, te koop
Voorbeeld:
(phrase) te koop, op de markt
Voorbeeld:
(adjective) uitverkocht, niet meer leverbaar
Voorbeeld:
(phrase) uitverkocht, niet op voorraad
Voorbeeld:
(verb) te veel in rekening brengen, overladen, te veel opladen;
(noun) overcharge, te hoge rekening
Voorbeeld:
(noun) betalingsoptie, betaalmethode
Voorbeeld:
(phrase) een bestelling plaatsen
Voorbeeld:
(phrase) te koop aanbieden, te koop zetten
Voorbeeld:
(noun) detailhandelszaak, winkel
Voorbeeld:
(phrasal verb) op zijn, geen meer hebben
Voorbeeld:
(noun) verkooppresentatie
Voorbeeld:
(noun) verkoper, verkoopster
Voorbeeld:
(adjective) uitverkocht
Voorbeeld:
(phrase) laat open blijven
Voorbeeld:
(noun) opslagruimte, magazijn
Voorbeeld:
(noun) opslagfaciliteit, magazijn
Voorbeeld:
(noun) opslagruimte, magazijn
Voorbeeld:
(idiom) inventariseren, de inventaris opmaken, de balans opmaken
Voorbeeld:
(adverb) dienovereenkomstig, navenant, daarom
Voorbeeld:
(adjective) aanpasbaar, flexibel
Voorbeeld:
(preposition) samen met, tezamen met
Voorbeeld:
(phrase) uiterlijk, op zijn laatst
Voorbeeld:
(noun) klacht, bezwaar, reden tot klagen
Voorbeeld:
(verb) overeenkomen, corresponderen, briefwisseling hebben
Voorbeeld:
(noun) teelt, verbouwing, ontwikkeling
Voorbeeld:
(idiom) zaken doen met
Voorbeeld:
(modal verb) zou beter kunnen doen, moet eigenlijk doen
Voorbeeld:
(adjective) eerbaar, respectabel, eervol
Voorbeeld:
(adjective) scherpzinnig, inzichtelijk, waarnemend
Voorbeeld:
(adverb) redelijk, verstandig, tamelijk
Voorbeeld:
(noun) transformatie, verandering, omvorming
Voorbeeld:
(verb) bereiken, verkrijgen, halen
Voorbeeld:
(verb) ruilen, barteren;
(noun) ruilhandel, barter
Voorbeeld:
(verb) boycotten, boycot;
(noun) boycot
Voorbeeld:
(phrasal verb) profiteren van, gebruikmaken van
Voorbeeld:
(noun) raad, bestuur, vergadering
Voorbeeld:
(noun) Ministerie van Handel
Voorbeeld:
(noun) depot, opslagplaats, station
Voorbeeld:
(verb) verminderen, afnemen, verkleinen
Voorbeeld:
(adjective) belastingvrij, accijnsvrij;
(adverb) belastingvrij, accijnsvrij
Voorbeeld:
(noun) verkiezing, keuze, selectie
Voorbeeld:
(idiom) een recht uitoefenen
Voorbeeld:
(adjective) federaal, centraal
Voorbeeld:
(phrase) de macht hebben, aan de macht zijn
Voorbeeld:
(noun) neiging, 倾向, zin
Voorbeeld:
(adjective) onvermijdelijk, onafwendbaar
Voorbeeld:
(collocation) loyale klant, vaste klant
Voorbeeld:
(noun) externe leverancier, externe dienstverlener
Voorbeeld:
(noun) peiling, enquête, stemming;
(verb) peilen, enquêteren, stemmen krijgen
Voorbeeld:
(noun) bezit, eigendom, spullen
Voorbeeld:
(adjective) schaars, zeldzaam, weinig voorkomend
Voorbeeld:
(noun) status, positie, toestand
Voorbeeld:
(phrase) overstappen van A naar B, omschakelen van A naar B
Voorbeeld:
(noun) groothandelaar
Voorbeeld:
(verb) weerstaan, doorstaan, verdragen
Voorbeeld: