Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 10 - Deskundige shoppers: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 10 - Deskundige shoppers' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrase) op dit moment, nu
Voorbeeld:
(verb) vieren, prijzen, eren
Voorbeeld:
(noun) decoratief item, decoratiestuk
Voorbeeld:
(noun) kortingsbon, kortingscoupon
Voorbeeld:
(phrase) te koop zijn
Voorbeeld:
(adverb) halve prijs;
(adjective) halve prijs
Voorbeeld:
have A strapped to one's shoulder
(phrase) iets over de schouder hebben hangen
Voorbeeld:
(adverb) in plaats daarvan, in de plaats
Voorbeeld:
(phrase) een aankoop doen, iets kopen
Voorbeeld:
(idiom) geen verschil maken, niets uitmaken
Voorbeeld:
(collocation) betalen, betaling verrichten
Voorbeeld:
(phrase) niet dat ik weet
Voorbeeld:
(phrase) uit de stad, weg
Voorbeeld:
(noun) overjas, mantel
Voorbeeld:
(phrase) contant betalen, in contanten betalen
Voorbeeld:
(phrase) tentoonstellen, uitstallen, presenteren
Voorbeeld:
(noun) schoenveter
Voorbeeld:
(noun) winkelier, uitbater
Voorbeeld:
(noun) showroom, tentoonstellingsruimte
Voorbeeld:
(noun) mouw, hoes, omhulsel
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) stapel, boel, berg;
(verb) stapelen
Voorbeeld:
(idiom) in de rij staan
Voorbeeld:
(noun) winkelpui, etalage
Voorbeeld:
(adjective) stijlvol, modieus
Voorbeeld:
(noun) label, etiket, stukje;
(verb) labelen, merken, tikken
Voorbeeld:
(phrase) de bestelling opnemen, een bestelling aannemen, het bevel opvolgen
Voorbeeld:
(phrasal verb) passen, aantrekken
Voorbeeld:
(verb) onderstrepen, benadrukken;
(noun) onderstreping
Voorbeeld:
(noun) horlogeband, horlogebandje
Voorbeeld:
(noun) etalages kijken, windowshoppen
Voorbeeld:
(phrase) zich veroorloven om te doen, de mogelijkheid hebben om te doen
Voorbeeld:
(noun) kleding, kledij, gewaad;
(verb) kleden, uitdossen
Voorbeeld:
(plural noun) zuivelproducten, zuivel
Voorbeeld:
(adverb) elders, ergens anders
Voorbeeld:
(noun) cadeaubon, geschenkbon
Voorbeeld:
(noun) glaswerk
Voorbeeld:
(adjective) goedkoop, voordelig
Voorbeeld:
(adverb) laatst, de laatste tijd
Voorbeeld:
(adjective) laatste, nieuwste, meest recente;
(adverb) uiterlijk, op zijn laatst
Voorbeeld:
(noun) luxe, weelde, luxeartikel;
(adjective) luxe, weelderig
Voorbeeld:
(noun) stopcontact, wandcontactdoos, verkooppunt
Voorbeeld:
(adjective) draagbaar;
(noun) laptop, draagbaar apparaat
Voorbeeld:
(noun) lezerspubliek, lezerskring
Voorbeeld:
(adverb) gemakkelijk, bereidwillig, vlot
Voorbeeld:
(adjective) terugbetaalbaar, restitueerbaar
Voorbeeld:
(noun) waarde, belang, prijs;
(verb) waarderen, schatten, op prijs stellen
Voorbeeld:
(phrase) een selectie van, een assortiment van
Voorbeeld:
(phrase) een verscheidenheid aan, verschillende
Voorbeeld:
(phrase) tegen een gereduceerde prijs, met korting
Voorbeeld:
(phrase) per cheque, met cheque
Voorbeeld:
(phrase) met creditcard
Voorbeeld:
(idiom) geenszins, volstrekt niet
Voorbeeld:
(noun) extra toeslag, extra kosten
Voorbeeld:
(idiom) in het gareel komen, je aanpassen
Voorbeeld:
(phrase) korting geven
Voorbeeld:
(phrase) contant, in contanten
Voorbeeld:
(noun) koopwaar, handelswaar;
(verb) promoten, verkopen
Voorbeeld:
(phrase) uiterlijk, niet later dan
Voorbeeld:
(noun) vitrine, etalage, presentatie;
(verb) presenteren, tentoonstellen, laten zien
Voorbeeld:
(noun) textiel, stof, textielindustrie;
(adjective) textiel-, weef-
Voorbeeld:
(adjective) zuinig, spaarzaam
Voorbeeld:
(phrase) onder garantie, met garantie
Voorbeeld:
(phrase) geldig voor
Voorbeeld:
(noun) bon, waardebon, bewijs;
(verb) bevestigen, garanderen
Voorbeeld:
(adverb) groothandel, in het groot, grootschalig;
(adjective) groothandel, groothandels-;
(noun) groothandel
Voorbeeld:
(phrase) een cadeau inpakken
Voorbeeld: