Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

business hours

/ˈbɪz.nɪs ˈaʊərz/

(plural noun) kantooruren, openingstijden

Voorbeeld:

Our office is open during regular business hours, from 9 AM to 5 PM.
Ons kantoor is geopend tijdens de reguliere kantooruren, van 9.00 tot 17.00 uur.

cast

/kæst/

(verb) werpen, gooien, uitbrengen;

(noun) cast, rolbezetting, gietstuk

Voorbeeld:

He cast his fishing line into the lake.
Hij wierp zijn vislijn in het meer.

CEO

/ˌsiː.iːˈoʊ/

(abbreviation) CEO, algemeen directeur

Voorbeeld:

The CEO announced a new strategic direction for the company.
De CEO kondigde een nieuwe strategische richting voor het bedrijf aan.

enterprise

/ˈen.t̬ɚ.praɪz/

(noun) onderneming, project, bedrijf

Voorbeeld:

Starting a new business is a challenging enterprise.
Een nieuw bedrijf starten is een uitdagende onderneming.

firm

/fɝːm/

(adjective) stevig, vast, standvastig;

(noun) bedrijf, firma;

(verb) verstevigen, harder maken

Voorbeeld:

The ground was firm after the rain.
De grond was stevig na de regen.

franchise

/ˈfræn.tʃaɪz/

(noun) franchise, licentie, stemrecht;

(verb) franchisen, licentiëren, stemrecht verlenen

Voorbeeld:

The company operates several fast-food franchises.
Het bedrijf exploiteert verschillende fastfoodfranchises.

nice-looking

/naɪsˈlʊkɪŋ/

(adjective) mooi uitziend, aantrekkelijk

Voorbeeld:

She bought a nice-looking dress for the party.
Ze kocht een mooi uitziende jurk voor het feest.

plenty

/ˈplen.t̬i/

(pronoun) genoeg, overvloed;

(adverb) ruim, voldoende

Voorbeeld:

We have plenty of time to finish the project.
We hebben genoeg tijd om het project af te maken.

speed up

/spiːd ʌp/

(phrasal verb) versnellen, vaart maken

Voorbeeld:

The car began to speed up as it approached the highway.
De auto begon te versnellen toen hij de snelweg naderde.

trading

/ˈtreɪ.dɪŋ/

(noun) handel, trading;

(verb) handelend, verhandelend

Voorbeeld:

The company is involved in international trading.
Het bedrijf is betrokken bij internationale handel.

beginning

/bɪˈɡɪn.ɪŋ/

(noun) begin, aanvang, eerste deel

Voorbeeld:

The beginning of the movie was slow, but it got better.
Het begin van de film was traag, maar het werd beter.

contribution to

/ˌkɑːn.trɪˈbjuː.ʃən tuː/

(collocation) bijdrage aan

Voorbeeld:

His contribution to the project was invaluable.
Zijn bijdrage aan het project was van onschatbare waarde.

convenient

/kənˈviː.ni.ənt/

(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk

Voorbeeld:

It's very convenient to have a supermarket nearby.
Het is erg handig om een supermarkt in de buurt te hebben.

differently

/ˈdɪf.ɚ.ənt.li/

(adverb) anders, op een andere manier

Voorbeeld:

She decided to approach the problem differently this time.
Ze besloot het probleem deze keer anders aan te pakken.

economy

/iˈkɑː.nə.mi/

(noun) economie, zuinigheid, besparing

Voorbeeld:

The country's economy is growing rapidly.
De economie van het land groeit snel.

formally

/ˈfɔːr.mə.li/

(adverb) formeel, officieel, stijf

Voorbeeld:

The agreement was formally signed by both parties.
De overeenkomst werd formeel door beide partijen ondertekend.

industrial

/ɪnˈdʌs.tri.əl/

(adjective) industrieel, voor de industrie

Voorbeeld:

The city has a strong industrial base.
De stad heeft een sterke industriële basis.

lightly

/ˈlaɪt.li/

(adverb) lichtjes, zachtjes, licht

Voorbeeld:

She touched his arm lightly.
Ze raakte zijn arm lichtjes aan.

merge

/mɝːdʒ/

(verb) fuseren, samenvoegen, verenigen

Voorbeeld:

The two companies decided to merge.
De twee bedrijven besloten te fuseren.

not A but B

/nɑːt eɪ bʌt biː/

(phrase) niet A maar B

Voorbeeld:

It's not a mistake but a choice.
Het is geen fout maar een keuze.

optimistic

/ˌɑːp.təˈmɪs.tɪk/

(adjective) optimistisch

Voorbeeld:

She is always optimistic about her chances of success.
Ze is altijd optimistisch over haar kansen op succes.

overall

/ˌoʊ.vɚˈɑːl/

(adjective) algemeen, totaal;

(adverb) over het algemeen, in het algemeen;

(noun) overall, tuinbroek

Voorbeeld:

The overall cost of the project was higher than expected.
De totale kosten van het project waren hoger dan verwacht.

possibility

/ˌpɑː.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) mogelijkheid, optie, kans

Voorbeeld:

There are many possibilities for your future career.
Er zijn veel mogelijkheden voor je toekomstige carrière.

private

/ˈpraɪ.vət/

(adjective) privé, persoonlijk, privaat;

(noun) soldaat, rekruut

Voorbeeld:

This is a private beach, not open to the public.
Dit is een privéstrand, niet openbaar toegankelijk.

rise

/raɪz/

(verb) rijzen, stijgen, opgaan;

(noun) stijging, opkomst, verhoging

Voorbeeld:

The sun began to rise over the mountains.
De zon begon te rijzen boven de bergen.

situation

/ˌsɪtʃ.uˈeɪ.ʃən/

(noun) situatie, toestand, omstandigheid

Voorbeeld:

The economic situation is improving.
De economische situatie verbetert.

strengthen

/ˈstreŋ.θən/

(verb) versterken, aansterken

Voorbeeld:

The new policy will strengthen the economy.
Het nieuwe beleid zal de economie versterken.

up and down

/ʌp ænd daʊn/

(adverb) op en neer, heen en weer;

(phrase) overal in, langs de hele

Voorbeeld:

He walked up and down the hallway while waiting.
Hij liep op en neer in de gang terwijl hij wachtte.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland