Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 8 - Marketingstrategie (2): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 8 - Marketingstrategie (2)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) advertentie, reclame
Voorbeeld:
(adjective) marginaal, rand-, bijkomstig
Voorbeeld:
(noun) klant
Voorbeeld:
(noun) invloed, invloedrijke persoon, influencer;
(verb) beïnvloeden
Voorbeeld:
(adverb) onmiddellijk, direct, ogenblikkelijk
Voorbeeld:
(adjective) creatief, scheppend
Voorbeeld:
(adverb) agressief, aanvallend, vastberaden
Voorbeeld:
(noun) doel, streven;
(verb) richten, mikken, streven naar
Voorbeeld:
(noun) strategie, plan, militaire strategie
Voorbeeld:
(verb) aangeven, wijzen op, duiden op
Voorbeeld:
(verb) aantrekken, boeien
Voorbeeld:
(noun) ervaring, belevenis;
(verb) ervaren, ondervinden
Voorbeeld:
(verb) analyseren, ontleden
Voorbeeld:
(verb) voorstellen, introduceren, invoeren
Voorbeeld:
(verb) adviseren, aanraden, informeren
Voorbeeld:
(verb) abonneren, inschrijven, instemmen met
Voorbeeld:
(noun) afwezigheid, gebrek
Voorbeeld:
(noun) middel, wijze, middelen;
(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn
Voorbeeld:
(verb) voorkeur geven aan, verkiezen
Voorbeeld:
(noun) voordeel, pluspunt;
(verb) bevoordelen, voordeel geven
Voorbeeld:
(adverb) vooruit, naar voren, verder;
(adjective) voorwaarts, voorste, brutaal;
(verb) doorsturen, verzenden;
(noun) aanvaller, spits
Voorbeeld:
(adjective) hedendaags, gelijktijdig, modern;
(noun) tijdgenoot, gelijktijdige
Voorbeeld:
(noun) discussie, gesprek, overleg
Voorbeeld:
(adjective) initieel, aanvankelijk, eerste;
(noun) initiaal, voorletter;
(verb) paraferen, voorletteren
Voorbeeld:
(adverb) gestaag, constant, stabiel
Voorbeeld:
(adverb) noodzakelijkerwijs, onvermijdelijk
Voorbeeld:
(verb) oplossen, verhelpen, besluiten;
(noun) vastberadenheid, besluit
Voorbeeld:
(verb) detecteren, opspeuren, ontdekken
Voorbeeld:
(verb) intensiveren, versterken
Voorbeeld:
(adverb) gunstig, positief
Voorbeeld:
(verb) bedekken, afdekken, behandelen;
(noun) deksel, omslag, cover
Voorbeeld:
(determiner) minder;
(adverb) minder
Voorbeeld:
(noun) meerderheid, meerderjarigheid, volwassenheid
Voorbeeld:
(verb) adopteren, aannemen, overnemen
Voorbeeld:
(adverb) grotendeels, voornamelijk
Voorbeeld:
(verb) negeren, veronachtzamen;
(noun) veronachtzaming, minachting
Voorbeeld:
(noun) inspanning, moeite, prestatie
Voorbeeld:
(noun) stimulans, prikkel, aansporing
Voorbeeld:
(verb) nodig hebben, moeten;
(noun) behoefte, noodzaak
Voorbeeld:
(noun) brein, mastermind;
(verb) bedenken, organiseren
Voorbeeld: