Avatar of Vocabulary Set Basis 1

Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 8 - Marketingstrategie (2): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 8 - Marketingstrategie (2)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

advertisement

/ˌæd.vɚˈtaɪz.mənt/

(noun) advertentie, reclame

Voorbeeld:

The company placed an advertisement in the local newspaper.
Het bedrijf plaatste een advertentie in de lokale krant.

marginal

/ˈmɑːr.dʒɪ.nəl/

(adjective) marginaal, rand-, bijkomstig

Voorbeeld:

There was a marginal note in the book.
Er stond een marginale opmerking in het boek.

customer

/ˈkʌs.tə.mɚ/

(noun) klant

Voorbeeld:

The store offers excellent service to its customers.
De winkel biedt uitstekende service aan zijn klanten.

influence

/ˈɪn.flu.əns/

(noun) invloed, invloedrijke persoon, influencer;

(verb) beïnvloeden

Voorbeeld:

His parents had a strong influence on his career choice.
Zijn ouders hadden een sterke invloed op zijn carrièrekeuze.

instantly

/ˈɪn.stənt.li/

(adverb) onmiddellijk, direct, ogenblikkelijk

Voorbeeld:

She recognized him instantly.
Ze herkende hem onmiddellijk.

creative

/kriˈeɪ.t̬ɪv/

(adjective) creatief, scheppend

Voorbeeld:

She has a very creative mind.
Ze heeft een zeer creatieve geest.

aggressively

/əˈɡres.ɪv.li/

(adverb) agressief, aanvallend, vastberaden

Voorbeeld:

The dog barked aggressively at the stranger.
De hond blafte agressief naar de vreemdeling.

aim

/eɪm/

(noun) doel, streven;

(verb) richten, mikken, streven naar

Voorbeeld:

Our main aim is to improve customer satisfaction.
Ons belangrijkste doel is het verbeteren van klanttevredenheid.

strategy

/ˈstræt̬.ə.dʒi/

(noun) strategie, plan, militaire strategie

Voorbeeld:

The company developed a new marketing strategy.
Het bedrijf ontwikkelde een nieuwe marketingstrategie.

indicate

/ˈɪn.də.keɪt/

(verb) aangeven, wijzen op, duiden op

Voorbeeld:

Please indicate your preference by checking the box.
Gelieve uw voorkeur aan te geven door het vakje aan te vinken.

attract

/əˈtrækt/

(verb) aantrekken, boeien

Voorbeeld:

Magnets attract metal objects.
Magneten trekken metalen voorwerpen aan.

experience

/ɪkˈspɪr.i.əns/

(noun) ervaring, belevenis;

(verb) ervaren, ondervinden

Voorbeeld:

He has a lot of experience in teaching.
Hij heeft veel ervaring in het lesgeven.

analyze

/ˈæn.əl.aɪz/

(verb) analyseren, ontleden

Voorbeeld:

We need to analyze the data carefully before making a decision.
We moeten de gegevens zorgvuldig analyseren voordat we een beslissing nemen.

introduce

/ˌɪn.trəˈduːs/

(verb) voorstellen, introduceren, invoeren

Voorbeeld:

Let me introduce you to my colleague, Sarah.
Laat me je voorstellen aan mijn collega, Sarah.

advise

/ədˈvaɪz/

(verb) adviseren, aanraden, informeren

Voorbeeld:

I advise you to take a break.
Ik adviseer je om een pauze te nemen.

subscribe

/səbˈskraɪb/

(verb) abonneren, inschrijven, instemmen met

Voorbeeld:

I decided to subscribe to the monthly magazine.
Ik besloot me te abonneren op het maandblad.

absence

/ˈæb.səns/

(noun) afwezigheid, gebrek

Voorbeeld:

Her absence from work was noted by her manager.
Haar afwezigheid van het werk werd opgemerkt door haar manager.

means

/miːnz/

(noun) middel, wijze, middelen;

(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn

Voorbeeld:

He achieved his goals by fair means.
Hij bereikte zijn doelen met eerlijke middelen.

prefer

/prɪˈfɝː/

(verb) voorkeur geven aan, verkiezen

Voorbeeld:

I prefer coffee to tea.
Ik geef de voorkeur aan koffie boven thee.

advantage

/ədˈvæn.t̬ɪdʒ/

(noun) voordeel, pluspunt;

(verb) bevoordelen, voordeel geven

Voorbeeld:

His height gave him an advantage in basketball.
Zijn lengte gaf hem een voordeel in basketbal.

forward

/ˈfɔːr.wɚd/

(adverb) vooruit, naar voren, verder;

(adjective) voorwaarts, voorste, brutaal;

(verb) doorsturen, verzenden;

(noun) aanvaller, spits

Voorbeeld:

Please move forward to make space for others.
Ga alstublieft naar voren om ruimte te maken voor anderen.

contemporary

/kənˈtem.pə.rer.i/

(adjective) hedendaags, gelijktijdig, modern;

(noun) tijdgenoot, gelijktijdige

Voorbeeld:

The artist's work is often compared to that of his contemporary peers.
Het werk van de kunstenaar wordt vaak vergeleken met dat van zijn hedendaagse collega's.

discussion

/dɪˈskʌʃ.ən/

(noun) discussie, gesprek, overleg

Voorbeeld:

We had a long discussion about the new project.
We hadden een lange discussie over het nieuwe project.

initial

/ɪˈnɪʃ.əl/

(adjective) initieel, aanvankelijk, eerste;

(noun) initiaal, voorletter;

(verb) paraferen, voorletteren

Voorbeeld:

The initial phase of the project was successful.
De initiële fase van het project was succesvol.

steadily

/ˈsted.əl.i/

(adverb) gestaag, constant, stabiel

Voorbeeld:

The rain fell steadily for hours.
De regen viel urenlang gestaag.

necessarily

/ˈnes.ə.ser.ɪl.i/

(adverb) noodzakelijkerwijs, onvermijdelijk

Voorbeeld:

Money doesn't necessarily buy happiness.
Geld koopt niet noodzakelijkerwijs geluk.

resolve

/rɪˈzɑːlv/

(verb) oplossen, verhelpen, besluiten;

(noun) vastberadenheid, besluit

Voorbeeld:

We need to resolve this issue quickly.
We moeten dit probleem snel oplossen.

detect

/dɪˈtekt/

(verb) detecteren, opspeuren, ontdekken

Voorbeeld:

The system can detect even the smallest changes.
Het systeem kan zelfs de kleinste veranderingen detecteren.

intensify

/ɪnˈten.sə.faɪ/

(verb) intensiveren, versterken

Voorbeeld:

The storm began to intensify as it moved closer to the coast.
De storm begon te intensiveren naarmate hij dichter bij de kust kwam.

favorably

/ˈfeɪ.vɚ.ə.bli/

(adverb) gunstig, positief

Voorbeeld:

The committee reviewed the proposal favorably.
De commissie beoordeelde het voorstel gunstig.

cover

/ˈkʌv.ɚ/

(verb) bedekken, afdekken, behandelen;

(noun) deksel, omslag, cover

Voorbeeld:

She used a blanket to cover the sleeping child.
Ze gebruikte een deken om het slapende kind te bedekken.

less

/les/

(determiner) minder;

(adverb) minder

Voorbeeld:

I have less money than you.
Ik heb minder geld dan jij.

majority

/məˈdʒɔː.rə.t̬i/

(noun) meerderheid, meerderjarigheid, volwassenheid

Voorbeeld:

The majority of people voted for the new policy.
De meerderheid van de mensen stemde voor het nieuwe beleid.

adopt

/əˈdɑːpt/

(verb) adopteren, aannemen, overnemen

Voorbeeld:

They decided to adopt a child from the orphanage.
Ze besloten een kind uit het weeshuis te adopteren.

largely

/ˈlɑːrdʒ.li/

(adverb) grotendeels, voornamelijk

Voorbeeld:

The success of the project depends largely on teamwork.
Het succes van het project hangt grotendeels af van teamwork.

disregard

/ˌdɪs.rɪˈɡɑːrd/

(verb) negeren, veronachtzamen;

(noun) veronachtzaming, minachting

Voorbeeld:

You should disregard his rude comments.
Je moet zijn onbeschofte opmerkingen negeren.

effort

/ˈef.ɚt/

(noun) inspanning, moeite, prestatie

Voorbeeld:

He made a great effort to finish the race.
Hij deed een grote inspanning om de race te voltooien.

incentive

/ɪnˈsen.t̬ɪv/

(noun) stimulans, prikkel, aansporing

Voorbeeld:

The bonus served as a strong incentive for employees to work harder.
De bonus diende als een sterke stimulans voor werknemers om harder te werken.

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.

mastermind

/ˈmæs.tɚ.maɪnd/

(noun) brein, mastermind;

(verb) bedenken, organiseren

Voorbeeld:

The police are still searching for the mastermind behind the bank robbery.
De politie zoekt nog steeds naar het brein achter de bankoverval.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland