Avatar of Vocabulary Set Winkelen

Vocabulaireverzameling Winkelen in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Winkelen' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

article

/ˈɑːr.t̬ɪ.kəl/

(noun) artikel, voorwerp, stuk;

(article) lidwoord

Voorbeeld:

She wrote an interesting article about climate change.
Ze schreef een interessant artikel over klimaatverandering.

merchandise

/ˈmɝː.tʃən.daɪz/

(noun) koopwaar, handelswaar;

(verb) promoten, verkopen

Voorbeeld:

The store offers a wide variety of merchandise.
De winkel biedt een breed scala aan koopwaar.

coupon

/ˈkuː.pɑːn/

(noun) coupon, kortingsbon

Voorbeeld:

I used a coupon to get 20% off my groceries.
Ik gebruikte een coupon om 20% korting te krijgen op mijn boodschappen.

voucher

/ˈvaʊ.tʃɚ/

(noun) bon, waardebon, bewijs;

(verb) bevestigen, garanderen

Voorbeeld:

I have a discount voucher for the new restaurant.
Ik heb een kortingsbon voor het nieuwe restaurant.

bargain

/ˈbɑːr.ɡɪn/

(noun) koopje, aanbieding, overeenkomst;

(verb) onderhandelen, afdingen

Voorbeeld:

The new car was a real bargain at that price.
De nieuwe auto was een echt koopje voor die prijs.

retail

/ˈriː.teɪl/

(noun) detailhandel, retail;

(verb) verkopen, detailhandelen;

(adjective) detailhandel, retail

Voorbeeld:

The company is expanding its retail operations.
Het bedrijf breidt zijn detailhandelactiviteiten uit.

auction

/ˈɑːk.ʃən/

(noun) veiling;

(verb) veilen

Voorbeeld:

The painting was sold at auction for a record price.
Het schilderij werd op veiling verkocht voor een recordprijs.

bid

/bɪd/

(noun) bod, offerte, poging;

(verb) bieden, een bod doen, groeten

Voorbeeld:

She made a winning bid for the antique vase.
Ze deed een winnend bod op de antieke vaas.

counter

/ˈkaʊn.t̬ɚ/

(noun) toonbank, balie, teller;

(verb) tegenwerken, weerleggen;

(adjective) tegen, strijdig met;

(adverb) tegen, in strijd met

Voorbeeld:

The cashier stood behind the counter.
De kassier stond achter de toonbank.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

window shopping

/ˈwɪn.doʊ ˌʃɑː.pɪŋ/

(noun) etalages kijken, windowshoppen

Voorbeeld:

On Saturday afternoons, we often go window shopping downtown.
Op zaterdagmiddag gaan we vaak etalages kijken in het centrum.

chain store

/ˈtʃeɪn stɔːr/

(noun) winkelketen, filiaalbedrijf

Voorbeeld:

Most shopping malls are filled with chain stores.
De meeste winkelcentra zijn gevuld met winkelketens.

convenience store

/kənˈviː.ni.əns ˌstɔːr/

(noun) buurtwinkel, gemakswinkel

Voorbeeld:

I just need to run to the convenience store for some milk.
Ik moet even naar de buurtwinkel voor wat melk.

deli

/ˈdel.i/

(noun) delicatessenwinkel, deli

Voorbeeld:

I'll pick up some fresh bread at the deli.
Ik haal wat vers brood bij de delicatessenwinkel.

grocery

/ˈɡroʊ.sɚ.i/

(noun) supermarkt, kruidenierswinkel, boodschappen

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

farmer's market

/ˈfɑːr.mɚz ˌmɑːr.kɪt/

(noun) boerenmarkt

Voorbeeld:

I bought some fresh organic honey at the farmer's market.
Ik heb wat verse biologische honing gekocht op de boerenmarkt.

stall

/stɑːl/

(noun) kraam, stand, stal;

(verb) stoppen, vertragen, haperen

Voorbeeld:

She set up a fruit stall at the farmer's market.
Ze zette een fruitkraam op de boerenmarkt.

outlet

/ˈaʊt.let/

(noun) stopcontact, wandcontactdoos, verkooppunt

Voorbeeld:

I need to find an electrical outlet to charge my phone.
Ik moet een stopcontact vinden om mijn telefoon op te laden.

stock

/stɑːk/

(noun) voorraad, goederen, aandeel;

(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;

(adjective) op voorraad, beschikbaar

Voorbeeld:

The store has a large stock of electronics.
De winkel heeft een grote voorraad elektronica.

transaction

/trænˈzæk.ʃən/

(noun) transactie, zakelijke deal, afhandeling

Voorbeeld:

The bank processed the transaction quickly.
De bank verwerkte de transactie snel.

barcode

/ˈbɑːr.koʊd/

(noun) barcode

Voorbeeld:

The cashier scanned the barcode on the item.
De caissière scande de barcode op het artikel.

credit card

/ˈkred.ɪt ˌkɑːrd/

(noun) creditcard

Voorbeeld:

I paid for the groceries with my credit card.
Ik betaalde de boodschappen met mijn creditcard.

debit card

/ˈdeb.ɪt ˌkɑːrd/

(noun) betaalpas, debetkaart

Voorbeeld:

I paid for the groceries with my debit card.
Ik betaalde de boodschappen met mijn betaalpas.

price tag

/ˈpraɪs tæɡ/

(noun) prijskaartje, prijslabel, prijs

Voorbeeld:

The dress had a high price tag.
De jurk had een hoog prijskaartje.

store card

/stɔːr kɑːrd/

(noun) klantenkaart, winkelkaart

Voorbeeld:

I used my store card to get a discount on the new sofa.
Ik gebruikte mijn klantenkaart om korting te krijgen op de nieuwe bank.

cart

/kɑːrt/

(noun) kar, wagen, winkelwagen;

(verb) vervoeren, dragen

Voorbeeld:

The farmer loaded hay onto the cart.
De boer laadde hooi op de kar.

checkout

/ˈtʃek.aʊt/

(noun) kassa, afrekenbalie, uitchecken;

(verb) afrekenen, betalen, uitchecken

Voorbeeld:

Please proceed to the checkout counter.
Ga alstublieft naar de kassa.

sell out

/sel aʊt/

(phrasal verb) uitverkopen, uitverkocht zijn, verraden

Voorbeeld:

The concert tickets sold out in minutes.
De concertkaarten waren binnen enkele minuten uitverkocht.

refund

/ˈriː.fʌnd/

(noun) terugbetaling, restitutie;

(verb) terugbetalen, restitueren

Voorbeeld:

I asked for a full refund because the product was defective.
Ik vroeg om een volledige terugbetaling omdat het product defect was.

on sale

/ɑːn seɪl/

(phrase) in de aanbieding, in de uitverkoop, te koop

Voorbeeld:

These shoes are on sale for a limited time.
Deze schoenen zijn in de aanbieding voor een beperkte tijd.

rack

/ræk/

(noun) rek, standaard, kwelling;

(verb) kwellen, pijnigen, uitputten

Voorbeeld:

She hung her clothes on the drying rack.
Ze hing haar kleren aan het droogrek.

register

/ˈredʒ.ə.stɚ/

(verb) registreren, inschrijven, aangeven;

(noun) register, lijst, kassa

Voorbeeld:

You need to register your car with the DMV.
Je moet je auto registreren bij de RDW.

aisle

/aɪl/

(noun) gangpad, pad

Voorbeeld:

The bride walked down the aisle.
De bruid liep door het gangpad.

consumer

/kənˈsuː.mɚ/

(noun) consument, consument (biologie)

Voorbeeld:

The new policy aims to protect consumers from unfair practices.
Het nieuwe beleid is gericht op het beschermen van consumenten tegen oneerlijke praktijken.

consumerism

/kənˈsuː.mɚ.ɪ.zəm/

(noun) consumentisme, consumentenbescherming, koopzucht

Voorbeeld:

The rise of consumerism led to stronger product safety laws.
De opkomst van consumentisme leidde tot strengere productveiligheidswetten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland