Vocabulaireverzameling Lichamelijke conditie en letsel in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Lichamelijke conditie en letsel' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) allergie
Voorbeeld:
(noun) misselijkheid, walging, afkeer
Voorbeeld:
(noun) wond, blessure, kwetsing;
(verb) verwonden, kwetsen, pijn doen
Voorbeeld:
(noun) blauwe plek, kneuzing;
(verb) kneuzen, blauwe plekken veroorzaken, kwetsen
Voorbeeld:
(noun) litteken, trauma;
(verb) verminken, littekens achterlaten, traumatiseren
Voorbeeld:
(noun) migraine
Voorbeeld:
(noun) obesitas, zwaarlijvigheid
Voorbeeld:
(adjective) afhankelijk van, afhankelijk;
(noun) afhankelijke, kostganger
Voorbeeld:
(noun) overdosis, teveel;
(verb) overdoseren
Voorbeeld:
(adjective) bewusteloos, onbewust
Voorbeeld:
(verb) overgeven, braken;
(noun) braaksel, overgeefsel
Voorbeeld:
(adjective) duizelig, duizelingwekkend, dwaas
Voorbeeld:
(noun) flauwte, bewusteloosheid;
(verb) flauwvallen, bewusteloos worden;
(adjective) zwak, vaag, onduidelijk
Voorbeeld:
(verb) passen, zitten, passen bij;
(noun) pasvorm, passing, aanval;
(adjective) fit, in vorm, geschikt
Voorbeeld:
(verb) zwellen, aanzwellen;
(noun) deining;
(adjective) fantastisch, geweldig
Voorbeeld:
(noun) rilling, huivering;
(verb) rillen, huiveren
Voorbeeld:
(noun) terugval, recidive;
(verb) terugvallen, recidiveren
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(noun) coma
Voorbeeld:
(noun) uitbraak, uitbarsting
Voorbeeld:
(verb) infecteren, besmetten, aansteken
Voorbeeld:
(adjective) koortsig, koortsachtig, hectisch
Voorbeeld:
(noun) uitdroging, ontwatering
Voorbeeld:
(noun) complicatie, moeilijkheid, probleem
Voorbeeld:
(verb) ontwikkelen, groeien, krijgen
Voorbeeld:
(adjective) ernstig, hevig, streng
Voorbeeld:
(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig
Voorbeeld:
(noun) kras, schram, start;
(verb) krassen, schrammen, krabben
Voorbeeld:
(verb) verstuiken;
(noun) verstuiking
Voorbeeld:
(verb) branden, verbranden, verbruiken;
(noun) brandwond, verbranding
Voorbeeld:
(noun) agonie, hevige pijn
Voorbeeld:
(noun) epidemie, uitbraak, snelle verspreiding;
(adjective) epidemisch, wijdverspreid
Voorbeeld:
(noun) pandemie;
(adjective) pandemisch
Voorbeeld: