Vocabulaireverzameling Vervoer in Geavanceerde woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Vervoer' in 'Geavanceerde woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) lucht-, luchtig;
(noun) antenne
Voorbeeld:
(noun) vliegbasis, luchtmachtbasis
Voorbeeld:
(noun) vliegveld, luchthaven
Voorbeeld:
(noun) handvest, akte, privilege;
(verb) charteren, oprichten, huren
Voorbeeld:
(noun) chartervlucht
Voorbeeld:
(noun) passagiersvliegtuig, verkeersvliegtuig
Voorbeeld:
(noun) landingsbaan, vliegstrip
Voorbeeld:
(noun) vliegenier, piloot, aviator zonnebril
Voorbeeld:
(noun) ruiming, opruiming, goedkeuring
Voorbeeld:
(noun) transportband, lopende band
Voorbeeld:
(noun) douane, gewoonte, gebruik
Voorbeeld:
(verb) ontschepen, uitstappen
Voorbeeld:
(noun) zwarte doos
Voorbeeld:
(noun) stand-by ticket
Voorbeeld:
(noun) touchdown, landing
Voorbeeld:
(noun) depot, opslagplaats, station
Voorbeeld:
(verb) ontsporen, doen ontsporen, dwarsbomen
Voorbeeld:
(noun) hagel, begroeting, roep;
(verb) hagelen, roepen, aanroepen;
(exclamation) gegroet
Voorbeeld:
(noun) locomotief;
(adjective) locomotorisch, bewegend
Voorbeeld:
(noun) monorail, eenspoorbaan
Voorbeeld:
(noun) portier, drager, porter (bier)
Voorbeeld:
(noun) asfalt;
(verb) asfalteren
Voorbeeld:
(noun) cruisecontrol, snelheidsregelaar
Voorbeeld:
(noun) sport utility vehicle, SUV
Voorbeeld:
(noun) tanker, tankwagen
Voorbeeld:
(noun) tractor
Voorbeeld:
(noun) sedan, limousine
Voorbeeld:
(noun) helling, oprit;
(verb) opvoeren, verhogen
Voorbeeld:
(adjective) stuurloos, drijvend, doelloos
Voorbeeld:
(noun) anker, steunpilaar, nieuwslezer;
(verb) ankeren, vastleggen, verankeren
Voorbeeld:
(adverb) aan wal, aan land
Voorbeeld:
(noun) drager, vervoerder, provider
Voorbeeld:
(verb) omslaan, kantelen
Voorbeeld:
(noun) scheepswrak, schipbreuk;
(verb) schipbreuk lijden, vergaan
Voorbeeld:
(noun) konvooi;
(verb) begeleiden, escorteren
Voorbeeld:
(noun) liner, passagiersschip, lijnvliegtuig
Voorbeeld:
(noun) verwachte aankomsttijd, ETA
Voorbeeld:
(noun) verwachte vertrektijd, geschatte tijd van vertrek;
(abbreviation) ETD
Voorbeeld:
(verb) manifesteren, vertonen, bewijzen;
(adjective) duidelijk, manifest;
(noun) manifest, vrachtlijst
Voorbeeld:
(adjective) offshore, op zee, buitenlands;
(adverb) uit de kust, op zee, naar het buitenland
Voorbeeld: