Vocabulaireverzameling Uiterlijk en textuur in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Uiterlijk en textuur' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) samentrekking, krimp, verkorting
Voorbeeld:
(noun) verdichting, compactie
Voorbeeld:
(noun) dimensie, afmeting, aspect
Voorbeeld:
(noun) kromming, curvatuur
Voorbeeld:
(noun) facet, aspect, slijpvlak
Voorbeeld:
(adjective) troebel, onduidelijk, verward
Voorbeeld:
(adjective) krom, scheef, oneerlijk
Voorbeeld:
(adjective) uitgestrekt, uitgebreid, ruim
Voorbeeld:
(adjective) iriserend
Voorbeeld:
(adjective) poreus, lek, doorlaatbaar
Voorbeeld:
(adjective) onhandig, lomp, ongemakkelijk
Voorbeeld:
(adjective) torenhoge, imposant, reusachtig
Voorbeeld:
(adjective) vervormd, misvormd, vertekend;
(past tense) vervormde, verdraaide
Voorbeeld:
(adjective) stijf, rigide, onbuigzaam
Voorbeeld:
(noun) lijm, kleefmiddel;
(adjective) klevend, plakkerig
Voorbeeld:
(adjective) glad, glanzend, elegant;
(verb) gladstrijken, polijsten
Voorbeeld:
(adjective) elastisch, rekbaar, flexibel;
(noun) elastiek, rekband
Voorbeeld:
(noun) beton;
(adjective) concreet, tastbaar;
(verb) betonneren
Voorbeeld:
(adjective) fijn, ijle, dun
Voorbeeld:
(adjective) glooiend, golvend;
(verb) golven, wiegen
Voorbeeld:
(adjective) hobbelig, onrustig
Voorbeeld:
(adjective) mager, rafelig, onregelmatig
Voorbeeld:
(adjective) geplooid
Voorbeeld:
(adjective) ondiep, oppervlakkig;
(verb) ondieper maken, verondiepen
Voorbeeld:
(adjective) labyrintisch, ingewikkeld, verwarrend
Voorbeeld:
(adjective) sierlijk, rijkelijk versierd, bloemrijk
Voorbeeld:
(adjective) elliptisch, ovaal, beknopt
Voorbeeld:
(adjective) buisvormig, cilindrisch, klankrijk
Voorbeeld:
(adjective) eivormig, ovaal;
(noun) ovoid, eivormig lichaam
Voorbeeld:
(adjective) kneedbaar, plooibaar, beïnvloedbaar
Voorbeeld:
(adjective) klam, koud en vochtig
Voorbeeld:
(adjective) ongekamd, verwaarloosd, slordig
Voorbeeld:
(adjective) strak, gespannen, beknopt
Voorbeeld:
(adjective) gerimpeld, gekreukeld
Voorbeeld:
(adjective) hol, leeg, onoprecht;
(noun) holte, dal, depressie;
(verb) uithollen, uitgraven
Voorbeeld:
(adjective) levensecht, natuurgetrouw
Voorbeeld:
(adjective) trek-, rekbaar
Voorbeeld:
(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden
Voorbeeld:
(verb) comprimeren, samenpersen, drukken;
(noun) kompres, verband
Voorbeeld:
(verb) verlengen, uitrekken;
(adjective) langwerpig, uitgerekt
Voorbeeld:
(noun) pigment, kleurstof;
(verb) pigmenteren, kleuren
Voorbeeld:
(noun) smet, vlek, gebrek;
(verb) bederven, ontsieren, bevlekken
Voorbeeld:
(noun) vouw, kreuk, crease;
(verb) vouwen, kreuken
Voorbeeld:
(noun) vlek, veeg;
(verb) uitvegen, vlekken
Voorbeeld:
(noun) contour, omtrek, vorm;
(verb) contouren, vormen, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) smeren, uitsmeren, besmeuren;
(noun) vlek, smeer, lastercampagne
Voorbeeld:
(noun) vilt;
(past tense) voelde, gevoeld
Voorbeeld:
The hat was made of soft felt.
(verb) versieren, verfraaien, opsmukken
Voorbeeld:
(verb) verlengen, uitbreiden, aanbieden
Voorbeeld: