Vocabulaireverzameling Reiservaringen in Toerismebranche: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Reiservaringen' in 'Toerismebranche' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) ervaring, belevenis;
(verb) ervaren, ondervinden
Voorbeeld:
(noun) avontuur, spanning;
(verb) avonturieren, wagen
Voorbeeld:
(noun) verkenning, exploratie, onderzoek
Voorbeeld:
(noun) ontdekking, vondst
Voorbeeld:
(noun) sightseeing, bezienswaardigheden bekijken
Voorbeeld:
(noun) wandelen, trekking;
(verb) wandelend, trekkend
Voorbeeld:
(noun) trekking, wandeltocht;
(verb) trekken, wandelen
Voorbeeld:
(noun) backpacken, rugzakreizen;
(verb) backpacken, rugzakreizen
Voorbeeld:
(noun) kamperen, camping
Voorbeeld:
(noun) wijnproeverij
Voorbeeld:
(noun) winkelen, boodschappen doen;
(verb) winkelen, boodschappen doen
Voorbeeld:
(noun) boetiek, modewinkel, gespecialiseerd;
(adjective) boetiek, gespecialiseerd
Voorbeeld:
(noun) warenhuis
Voorbeeld:
(noun) winkelcentrum
Voorbeeld:
(noun) handwerk, ambacht
Voorbeeld:
(noun) onderhandeling, afdingen, collectieve onderhandeling
Voorbeeld:
(noun) verkoop, afzet, uitverkoop
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(noun) contant geld, cash;
(verb) innen, contant maken
Voorbeeld:
(noun) creditcard
Voorbeeld:
(noun) geldautomaat, pinautomaat;
(abbreviation) Asynchronous Transfer Mode, ATM
Voorbeeld:
(noun) bon, kwitantie, ontvangst
Voorbeeld:
(noun) grootte, maat;
(verb) aanpassen, op maat maken
Voorbeeld:
(noun) kleur, pigment, verf;
(verb) kleuren, verven
Voorbeeld:
(noun) stijl, mode, manier;
(verb) stylen, vormgeven, ontwerpen
Voorbeeld:
(noun) mode, stijl, manier;
(verb) vormen, maken
Voorbeeld:
(noun) accessoire, toebehoren, medeplichtige;
(adjective) medeplichtig
Voorbeeld:
(noun) kleding, kledij
Voorbeeld:
(noun) schoen;
(verb) beslaan
Voorbeeld:
(noun) sieraden, juwelen
Voorbeeld:
(noun) elektronica, elektronische apparaten
Voorbeeld:
(adjective) belastingvrij, accijnsvrij;
(adverb) belastingvrij, accijnsvrij
Voorbeeld:
(noun) boodschappentas, winkeltas
Voorbeeld:
(noun) koopverslaafde, shopaholic
Voorbeeld:
(noun) winkeltherapie, retailtherapie
Voorbeeld:
(noun) outletwinkel, fabriekswinkel
Voorbeeld:
(noun) winkelcentrum
Voorbeeld:
(noun) luxegoederen, luxeartikelen
Voorbeeld:
(noun) etalages kijken, windowshoppen
Voorbeeld:
(noun) consument, consument (biologie)
Voorbeeld:
(noun) klantenservice, klantenondersteuning
Voorbeeld:
(noun) winkelwagen, online winkelmandje
Voorbeeld:
(noun) kassa, afrekenbalie, uitchecken;
(verb) afrekenen, betalen, uitchecken
Voorbeeld:
(phrase) gaan winkelen, winkelen
Voorbeeld: