Avatar of Vocabulary Set Voedselgroepen

Vocabulaireverzameling Voedselgroepen in Voedseltechnologie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Voedselgroepen' in 'Voedseltechnologie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bread

/bred/

(noun) brood, geld, poen;

(verb) paneren

Voorbeeld:

She bought a loaf of bread from the bakery.
Ze kocht een brood brood bij de bakker.

cereal

/ˈsɪr.i.əl/

(noun) graan, graangewas, ontbijtgranen

Voorbeeld:

Wheat is a common cereal crop.
Tarwe is een veelvoorkomend graangewas.

dairy product

/ˈder.i ˌprɑː.dʌkt/

(noun) zuivelproducten

Voorbeeld:

Many people avoid dairy products due to lactose intolerance.
Veel mensen vermijden zuivelproducten vanwege lactose-intolerantie.

vegetable

/ˈvedʒ.tə.bəl/

(noun) groente, plant, vegetatieve toestand

Voorbeeld:

Carrots and broccoli are healthy vegetables.
Wortels en broccoli zijn gezonde groenten.

legume

/ˈleɡ.juːm/

(noun) peulvrucht, boon

Voorbeeld:

Soybeans are a common legume used in many dishes.
Sojabonen zijn een veelvoorkomende peulvrucht die in veel gerechten wordt gebruikt.

meat

/miːt/

(noun) vlees, pit

Voorbeeld:

We had roasted meat for dinner.
We hadden gebraden vlees als avondeten.

egg

/eɡ/

(noun) ei;

(verb) aanzetten, aanmoedigen

Voorbeeld:

The bird laid an egg in the nest.
De vogel legde een ei in het nest.

rice

/raɪs/

(noun) rijst;

(verb) rijst wassen, purere, fijnpersen

Voorbeeld:

She cooked a delicious meal with chicken and rice.
Ze kookte een heerlijke maaltijd met kip en rijst.

seafood

/ˈsiː.fuːd/

(noun) zeevruchten

Voorbeeld:

We had fresh seafood for dinner.
We hadden verse zeevruchten voor het avondeten.

appetizer

/ˈæp.ə.taɪ.zɚ/

(noun) voorgerecht, aperitief

Voorbeeld:

We ordered spring rolls as an appetizer.
We bestelden loempia's als voorgerecht.

condiment

/ˈkɑːn.də.mənt/

(noun) specerij, kruiderij, saus

Voorbeeld:

Pass the condiments, please; I'd like some ketchup for my fries.
Geef de specerijen door, alsjeblieft; ik wil graag wat ketchup voor mijn frietjes.

confectionery

/kənˈfek.ʃən.er.i/

(noun) banketbakkerswaren, snoepgoed, banketbakkerij

Voorbeeld:

The shop sells a wide range of confectionery, including candies and chocolates.
De winkel verkoopt een breed assortiment aan banketbakkerswaren, waaronder snoep en chocolade.

convenience food

/kənˈviːn.jəns fuːd/

(noun) gemaksmaaltijd, kant-en-klaar maaltijd

Voorbeeld:

Busy people often rely on convenience food for quick meals.
Drukke mensen vertrouwen vaak op gemaksmaaltijden voor snelle maaltijden.

dessert

/dɪˈzɝːt/

(noun) nagerecht, dessert

Voorbeeld:

What's for dessert tonight?
Wat is er vanavond als nagerecht?

dumpling

/ˈdʌm.plɪŋ/

(noun) dumpling, knoedel, dikkerdje

Voorbeeld:

My grandmother makes the best chicken and dumplings.
Mijn grootmoeder maakt de beste kip en dumplings.

fast food

/ˌfæst ˈfuːd/

(noun) fastfood, snackbarmaaltijd

Voorbeeld:

We often eat fast food when we're in a hurry.
We eten vaak fastfood als we haast hebben.

noodle

/ˈnuː.dəl/

(noun) noedel, mie, hoofd;

(verb) tokkelen, improviseren, handvissen

Voorbeeld:

She added some fresh noodles to the soup.
Ze voegde wat verse noedels toe aan de soep.

pie

/paɪ/

(noun) taart, pastei, ekster

Voorbeeld:

My grandmother makes the best apple pie.
Mijn grootmoeder maakt de beste appeltaart.

salad

/ˈsæl.əd/

(noun) salade

Voorbeeld:

I ordered a fresh green salad with grilled chicken.
Ik bestelde een verse groene salade met gegrilde kip.

sandwich

/ˈsæn.wɪtʃ/

(noun) broodje, sandwich;

(verb) wringen, inklemmen

Voorbeeld:

I'll have a ham and cheese sandwich for lunch.
Ik neem een ham-kaas broodje voor de lunch.

sauce

/sɑːs/

(noun) saus, brutaliteit, onbeschaamdheid;

(verb) saucen, saus toevoegen, brutaliseren

Voorbeeld:

This pasta needs more sauce.
Deze pasta heeft meer saus nodig.

soup

/suːp/

(noun) soep

Voorbeeld:

She made a delicious chicken soup for dinner.
Ze maakte een heerlijke kippensoep voor het avondeten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland