Avatar of Vocabulary Set De bewegingen

Vocabulaireverzameling De bewegingen in Algemene IELTS-woordenschat (band 8-9): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'De bewegingen' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 8-9)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

waddle

/ˈwɑː.dəl/

(verb) waggelen, schommelen;

(noun) waggelgang, schommelgang

Voorbeeld:

The duck began to waddle towards the pond.
De eend begon te waggelen naar de vijver.

wobble

/ˈwɑː.bəl/

(verb) wiebelen, wankelen, aarzelen;

(noun) wiebel, wankeling

Voorbeeld:

The table began to wobble as he leaned on it.
De tafel begon te wiebelen toen hij erop leunde.

meander

/miˈæn.dɚ/

(verb) kronkelen, slingeren, ronddwalen;

(noun) meander, kronkel

Voorbeeld:

The river meanders through the valley.
De rivier kronkelt door de vallei.

trot

/trɑːt/

(noun) draf, snelle wandeling, drafje;

(verb) draffen, snel lopen, draafje maken

Voorbeeld:

The horse broke into a steady trot.
Het paard begon in een gestage draf.

stomp

/stɑːmp/

(verb) stampen, treden, onderdrukken;

(noun) stamp, voetstap

Voorbeeld:

He began to stomp his feet in frustration.
Hij begon gefrustreerd met zijn voeten te stampen.

scuttle

/ˈskʌt̬.əl/

(noun) kolenkit, kolenbak;

(verb) trippelen, schuifelen, laten zinken

Voorbeeld:

He carried the coal scuttle to the fireplace.
Hij droeg de kolenkit naar de open haard.

cartwheel

/ˈkɑːrt.wiːl/

(noun) radslag;

(verb) radslagen maken

Voorbeeld:

The gymnast performed a perfect cartwheel.
De turnster voerde een perfecte radslag uit.

wriggle

/ˈrɪɡ.əl/

(verb) kronkelen, wriemelen, wurmen;

(noun) kronkel, wriemeling

Voorbeeld:

The worm continued to wriggle on the hook.
De worm bleef kronkelen aan de haak.

somersault

/ˈsʌm.ɚ.sɑːlt/

(noun) salto, koprol;

(verb) salto maken, koprol maken

Voorbeeld:

The gymnast performed a perfect somersault.
De gymnast voerde een perfecte salto uit.

flit

/flɪt/

(verb) fladderen, flitsen, verhuizen;

(noun) vlucht, flits

Voorbeeld:

Butterflies flitted among the flowers.
Vlinders fladderden tussen de bloemen.

jig

/dʒɪɡ/

(noun) jig, gigue, mal;

(verb) jiggen, dansen

Voorbeeld:

The dancers performed a traditional Irish jig.
De dansers voerden een traditionele Ierse jig uit.

dart

/dɑːrt/

(noun) dart, pijltje, schicht;

(verb) schieten, spurten, vliegen

Voorbeeld:

He threw a dart at the target.
Hij gooide een dart naar het doel.

haul

/hɑːl/

(verb) trekken, slepen;

(noun) vangst, buit, reis

Voorbeeld:

They hauled the boat out of the water.
Ze trokken de boot uit het water.

slither

/ˈslɪð.ɚ/

(verb) glibberen, kruipen;

(noun) glibber, glijden

Voorbeeld:

The snake slithered through the tall grass.
De slang glibberde door het hoge gras.

revolve

/rɪˈvɑːlv/

(verb) draaien, ronddraaien, draaien om

Voorbeeld:

The Earth revolves around the Sun.
De aarde draait om de zon.

clamber

/ˈklæm.bɚ/

(verb) klauteren, klimmen;

(noun) klauterpartij, klim

Voorbeeld:

She managed to clamber over the wall.
Ze slaagde erin om over de muur te klauteren.

flop

/flɑːp/

(noun) flop, mislukking;

(verb) neerploffen, flappen, hangen

Voorbeeld:

The movie was a complete flop at the box office.
De film was een complete flop aan de kassa.

bolt

/boʊlt/

(noun) bout, grendel, schuif;

(verb) wegrennen, ervandoor gaan, schrokken

Voorbeeld:

He tightened the bolt with a wrench.
Hij draaide de bout vast met een moersleutel.

plop

/plɑːp/

(verb) ploffen, neerploffen;

(noun) plons, plof

Voorbeeld:

She came home and plopped onto the sofa.
Ze kwam thuis en plofte op de bank.

careen

/kəˈriːn/

(verb) kielen, op zijn kant leggen, zwabberen

Voorbeeld:

The sailors had to careen the old vessel to fix the leak.
De zeelieden moesten het oude vaartuig kielen om het lek te repareren.

skid

/skɪd/

(noun) slip, glijpartij;

(verb) slippen, glijden

Voorbeeld:

The car went into a skid on the icy road.
De auto raakte in een slip op de ijzige weg.

zip

/zɪp/

(noun) rits, pit, energie;

(verb) ritsen, dichtritsen, scheuren

Voorbeeld:

She closed her jacket with a zip.
Ze sloot haar jas met een rits.

whisk

/wɪsk/

(noun) garde;

(verb) kloppen, garde, snel verplaatsen

Voorbeeld:

She used a whisk to beat the eggs until they were fluffy.
Ze gebruikte een garde om de eieren luchtig te kloppen.

streak

/striːk/

(noun) streep, spoor, reeks;

(verb) schieten, razen, strepen

Voorbeeld:

The car left a long black streak on the road.
De auto liet een lange zwarte streep achter op de weg.

bog down

/bɑːɡ daʊn/

(phrasal verb) vertragen, vastlopen

Voorbeeld:

The heavy snow bogged down traffic for hours.
De zware sneeuw vertraagde het verkeer urenlang.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland