Avatar of Vocabulary Set Eenheid 4: Leven in het verleden

Vocabulaireverzameling Eenheid 4: Leven in het verleden in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 4: Leven in het verleden' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

Arctic

/ˈɑːrk.tɪk/

(noun) Noordpoolgebied, Arctische regio;

(adjective) Arctisch, pool-, ijskoud

Voorbeeld:

The expedition explored the remote areas of the Arctic.
De expeditie verkende de afgelegen gebieden van het Noordpoolgebied.

barefooted

/ˈber.fʊt.ɪd/

(adjective) blootsvoets;

(adverb) blootsvoets

Voorbeeld:

She walked barefooted on the beach, feeling the sand between her toes.
Ze liep blootsvoets op het strand, voelde het zand tussen haar tenen.

behave

/bɪˈheɪv/

(verb) zich gedragen, functioneren

Voorbeeld:

The children behaved well during the trip.
De kinderen gedroegen zich goed tijdens de reis.

dogsled

/ˈdɑːɡ.sled/

(noun) hondenslee;

(verb) met een hondenslee reizen

Voorbeeld:

The musher prepared his team for the dogsled race.
De musher bereidde zijn team voor op de hondensleerace.

domed

/doʊmd/

(adjective) koepelvormig, gewelfd;

(verb) overkoepelen, koepelvormig maken

Voorbeeld:

The observatory has a large domed roof.
Het observatorium heeft een groot koepelvormig dak.

downtown

/ˌdaʊnˈtaʊn/

(adverb) naar het centrum, in het centrum;

(noun) centrum, binnenstad;

(adjective) centraal, binnenstedelijk

Voorbeeld:

Let's go downtown for dinner tonight.
Laten we vanavond naar het centrum gaan voor het avondeten.

dye

/daɪ/

(noun) verf, kleurstof;

(verb) verven, kleuren

Voorbeeld:

She used a dark brown dye to color her hair.
Ze gebruikte een donkerbruine verf om haar haar te kleuren.

eat out

/iːt aʊt/

(phrasal verb) uit eten gaan, buitenshuis eten

Voorbeeld:

Let's eat out tonight, I don't feel like cooking.
Laten we vanavond uit eten gaan, ik heb geen zin om te koken.

entertain

/en.t̬ɚˈteɪn/

(verb) vermaken, onderhouden, overwegen

Voorbeeld:

He hired a clown to entertain the children.
Hij huurde een clown in om de kinderen te vermaken.

event

/ɪˈvent/

(noun) evenement, gebeurtenis, voorval

Voorbeeld:

The wedding was a beautiful event.
De bruiloft was een prachtig evenement.

face-to-face

/ˌfeɪs.təˈfeɪs/

(adjective) face-to-face, persoonlijk;

(adverb) face-to-face, persoonlijk

Voorbeeld:

They had a face-to-face meeting to discuss the project.
Ze hadden een face-to-face ontmoeting om het project te bespreken.

facility

/fəˈsɪl.ə.t̬i/

(noun) faciliteit, voorziening, aanleg

Voorbeeld:

The hotel has excellent leisure facilities, including a swimming pool and gym.
Het hotel heeft uitstekende recreatieve faciliteiten, waaronder een zwembad en een fitnessruimte.

igloo

/ˈɪɡ.luː/

(noun) iglo

Voorbeeld:

The Inuit people traditionally built igloos as temporary shelters.
De Inuit-bevolking bouwde traditioneel iglo's als tijdelijke schuilplaatsen.

illiterate

/ɪˈlɪt̬.ɚ.ət/

(adjective) analfabeet, onwetend, ongeletterd;

(noun) analfabeet

Voorbeeld:

Many adults in rural areas are still illiterate.
Veel volwassenen op het platteland zijn nog steeds analfabeet.

lifestyle

/ˈlaɪf.staɪl/

(noun) levensstijl

Voorbeeld:

They adopted a healthy lifestyle after moving to the countryside.
Ze namen een gezonde levensstijl aan na hun verhuizing naar het platteland.

loudspeaker

/ˈlaʊdˌspiː.kɚ/

(noun) luidspreker, speaker

Voorbeeld:

The announcement was made over the loudspeaker.
De aankondiging werd gedaan via de luidspreker.

occasion

/əˈkeɪ.ʒən/

(noun) gelegenheid, keer, viering;

(verb) veroorzaken, teweegbrengen

Voorbeeld:

On one occasion, she forgot her lines.
Bij één gelegenheid vergat ze haar tekst.

post

/poʊst/

(noun) paal, post, bericht;

(verb) plaatsen, aanplakken, posten;

(preposition) na, post-

Voorbeeld:

The fence post was rotten and needed to be replaced.
De hekpaal was verrot en moest vervangen worden.

remote

/rɪˈmoʊt/

(adjective) afgelegen, ver, gering;

(noun) afstandsbediening

Voorbeeld:

The village is located in a remote area.
Het dorp ligt in een afgelegen gebied.

snack

/snæk/

(noun) snack, tussendoortje;

(verb) snacken, tussendoor eten

Voorbeeld:

I usually have a fruit for my afternoon snack.
Ik eet meestal fruit als mijn middagsnack.

street vendor

/ˈstriːt ˌven.dər/

(noun) straatverkoper, venter

Voorbeeld:

The street vendor was selling hot dogs and pretzels.
De straatverkoper verkocht hotdogs en pretzels.

strict

/strɪkt/

(adjective) streng, strik, strikt

Voorbeeld:

My parents were very strict about bedtime.
Mijn ouders waren erg streng over bedtijd.

time-consuming

/ˈtaɪm.kənˌsuː.mɪŋ/

(adjective) tijdrovend

Voorbeeld:

The paperwork for the new project is very time-consuming.
Het papierwerk voor het nieuwe project is erg tijdrovend.

treat

/triːt/

(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;

(noun) traktatie, verwennerij, rondje

Voorbeeld:

She treats everyone with respect.
Ze behandelt iedereen met respect.

used to

/juːst tə/

(adjective) gewend aan;

(modal verb) vroeger, gewoonlijk

Voorbeeld:

I'm used to waking up early.
Ik ben gewend aan vroeg opstaan.

act out

/ækt aʊt/

(phrasal verb) uitbeelden, acteren, zich afreageren

Voorbeeld:

The children loved to act out their favorite fairy tales.
De kinderen vonden het heerlijk om hun favoriete sprookjes uit te beelden.

die out

/daɪ aʊt/

(phrasal verb) uitsterven, verdwijnen

Voorbeeld:

Many species of animals are dying out due to habitat loss.
Veel diersoorten sterven uit door verlies van leefgebied.

pass on

/pæs ɑːn/

(phrasal verb) doorgeven, overdragen, overlijden

Voorbeeld:

Please pass on this message to your colleagues.
Gelieve dit bericht door te geven aan uw collega's.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland