Avatar of Vocabulary Set Eenheid 8: Onafhankelijk worden

Vocabulaireverzameling Eenheid 8: Onafhankelijk worden in Graad 11: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 8: Onafhankelijk worden' in 'Graad 11' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

achieve

/əˈtʃiːv/

(verb) bereiken, behalen, volbrengen

Voorbeeld:

She worked hard to achieve her goals.
Ze werkte hard om haar doelen te bereiken.

babysitting

/ˈbeɪ.biˌsɪt̬.ɪŋ/

(noun) oppassen, babysitten;

(verb) oppassend, babysittend

Voorbeeld:

She earns extra money by babysitting for her neighbors.
Ze verdient extra geld met oppassen voor haar buren.

combine

/kəmˈbaɪn/

(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;

(noun) maaidorser, combine

Voorbeeld:

We need to combine our efforts to finish this project on time.
We moeten onze inspanningen bundelen om dit project op tijd af te krijgen.

confidence

/ˈkɑːn.fə.dəns/

(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid

Voorbeeld:

She has great confidence in her team's abilities.
Ze heeft veel vertrouwen in de capaciteiten van haar team.

confident

/ˈkɑːn.fə.dənt/

(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd

Voorbeeld:

She felt confident about her presentation.
Ze voelde zich zelfverzekerd over haar presentatie.

dog walking

/dɔːɡ ˈwɔːkɪŋ/

(noun) honden uitlaten, hondenwandeling

Voorbeeld:

She earns extra money by dog walking for her neighbors.
Ze verdient extra geld met honden uitlaten voor haar buren.

independence

/ˌɪn.dɪˈpen.dəns/

(noun) onafhankelijkheid, zelfstandigheid

Voorbeeld:

The country gained its independence in 1960.
Het land verwierf zijn onafhankelijkheid in 1960.

independent

/ˌɪn.dɪˈpen.dənt/

(adjective) onafhankelijk, zelfstandig, afzonderlijk;

(noun) onafhankelijke, zelfstandige

Voorbeeld:

The country gained its independent status in 1960.
Het land verwierf zijn onafhankelijke status in 1960.

learner

/ˈlɝː.nɚ/

(noun) leerling, student

Voorbeeld:

She is a quick learner and picks up new things easily.
Zij is een snelle leerling en pikt nieuwe dingen gemakkelijk op.

life skill

/ˈlaɪf skɪl/

(noun) levensvaardigheid

Voorbeeld:

Learning to cook is an essential life skill.
Leren koken is een essentiële levensvaardigheid.

manage

/ˈmæn.ədʒ/

(verb) beheren, leiden, redden

Voorbeeld:

She manages a team of ten employees.
Zij beheert een team van tien medewerkers.

measure

/ˈmeʒ.ɚ/

(verb) meten, opmeten, bedragen;

(noun) maatstaf, meetmethode, maatregel

Voorbeeld:

The tailor will measure you for a new suit.
De kleermaker zal je opmeten voor een nieuw pak.

pocket money

/ˈpɑː.kɪt ˌmʌn.i/

(noun) zakgeld

Voorbeeld:

My parents gave me pocket money every week when I was a child.
Mijn ouders gaven me elke week zakgeld toen ik een kind was.

remove

/rɪˈmuːv/

(verb) verwijderen, afnemen, wegnemen

Voorbeeld:

Please remove your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen te verwijderen voordat u het huis binnengaat.

responsibility

/rɪˌspɑːn.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) verantwoordelijkheid, plicht, taken

Voorbeeld:

It's your responsibility to ensure the project is completed on time.
Het is jouw verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het project op tijd wordt voltooid.

responsible

/rɪˈspɑːn.sə.bəl/

(adjective) verantwoordelijk, verantwoordelijk voor, oorzaak van

Voorbeeld:

You are responsible for your own actions.
Je bent verantwoordelijk voor je eigen daden.

self-motivated

/ˌselfˈmoʊtɪveɪtɪd/

(adjective) zelfgemotiveerd

Voorbeeld:

She is a highly self-motivated individual who always strives for excellence.
Zij is een zeer zelfgemotiveerd persoon die altijd streeft naar excellentie.

self-study

/ˌselfˈstʌd.i/

(noun) zelfstudie, zelfonderwijs;

(verb) zelf studeren, zelf onderwijzen

Voorbeeld:

She improved her English through self-study.
Ze verbeterde haar Engels door zelfstudie.

to-do list

/ˈtuː.duː ˌlɪst/

(noun) takenlijst, to-dolijst

Voorbeeld:

I have so many items on my to-do list today.
Ik heb vandaag zoveel punten op mijn takenlijst staan.

get around

/ɡet əˈraʊnd/

(phrasal verb) zich verplaatsen, rondkomen, omzeilen

Voorbeeld:

It's easy to get around the city by public transport.
Het is gemakkelijk om je te verplaatsen in de stad met het openbaar vervoer.

deal with

/diːl wɪð/

(phrasal verb) aanpakken, omgaan met, zaken doen met

Voorbeeld:

We need to deal with this issue immediately.
We moeten dit probleem onmiddellijk aanpakken.

come up with

/kʌm ʌp wɪð/

(phrasal verb) bedenken, verzinnen, opleveren

Voorbeeld:

Can you come up with a better solution?
Kun je een betere oplossing bedenken?

carry out

/ˈkær.i aʊt/

(phrasal verb) uitvoeren, verrichten

Voorbeeld:

The team will carry out the experiment next week.
Het team zal het experiment volgende week uitvoeren.

make use of

/meɪk juːs ʌv/

(phrase) gebruik maken van, benutten

Voorbeeld:

We should make use of all the resources we have.
We moeten gebruik maken van alle middelen die we hebben.

from time to time

/frʌm taɪm tə taɪm/

(idiom) af en toe, nu en dan

Voorbeeld:

We meet for coffee from time to time.
We ontmoeten elkaar af en toe voor koffie.

out and about

/aʊt ənd əˈbaʊt/

(idiom) op pad, actief

Voorbeeld:

After a long illness, she's finally out and about again.
Na een lange ziekte is ze eindelijk weer op pad.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland