Avatar of Vocabulary Set Overige (Off)

Vocabulaireverzameling Overige (Off) in Phrasal Verbs met 'Off' & 'In': Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Overige (Off)' in 'Phrasal Verbs met 'Off' & 'In'' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cool off

/kuːl ˈɔːf/

(phrasal verb) afkoelen, kalmeren

Voorbeeld:

Let the soup cool off before you eat it.
Laat de soep afkoelen voordat je hem eet.

get off on

/ɡet ɔf ɑn/

(phrasal verb) opgewonden raken van, geil worden van, genieten van

Voorbeeld:

He seems to get off on power.
Hij lijkt opgewonden te raken van macht.

goof off

/ɡuːf ɔːf/

(phrasal verb) lummelen, rondhangen, nietsdoen

Voorbeeld:

Stop goofing off and finish your homework!
Stop met lummelen en maak je huiswerk af!

help off with

/help ɔf wɪð/

(phrasal verb) helpen afdoen

Voorbeeld:

Can you help me off with my coat?
Kun je me helpen mijn jas uit te doen?

level off

/ˈlev.əl ˌɔːf/

(phrasal verb) stabiliseren, gelijk blijven

Voorbeeld:

After a rapid increase, prices began to level off.
Na een snelle stijging begonnen de prijzen te stabiliseren.

live off

/lɪv ɔf/

(phrasal verb) leven van, afhankelijk zijn van

Voorbeeld:

He decided to live off his parents while he looked for a job.
Hij besloot te leven van zijn ouders terwijl hij een baan zocht.

stop off

/stɑːp ɑːf/

(phrasal verb) stoppen, tussenstop maken

Voorbeeld:

We decided to stop off in Paris for a few days on our way to Rome.
We besloten om een paar dagen in Parijs te stoppen op weg naar Rome.

handoff

/ˈhænd.ɑːf/

(noun) overdracht, overgave, handoff

Voorbeeld:

The project manager ensured a smooth handoff of tasks to the new team.
De projectmanager zorgde voor een soepele overdracht van taken aan het nieuwe team.

give off

/ɡɪv ɔf/

(phrasal verb) afgeven, uitstoten

Voorbeeld:

The flowers give off a sweet scent.
De bloemen geven een zoete geur af.

see off

/siː ˈɔːf/

(phrasal verb) uitzwaaien, afscheid nemen van, verslaan

Voorbeeld:

We went to the airport to see them off.
We gingen naar het vliegveld om ze uit te zwaaien.

sell off

/sel ˈɔːf/

(phrasal verb) verkopen, afstoten

Voorbeeld:

The company had to sell off its non-essential assets to avoid bankruptcy.
Het bedrijf moest zijn niet-essentiële activa verkopen om een faillissement te voorkomen.

send off

/ˈsend ɔːf/

(phrasal verb) verzenden, wegsturen, van het veld sturen;

(noun) afscheid, uitzwaai

Voorbeeld:

They decided to send off the old furniture to a charity.
Ze besloten de oude meubels naar een goed doel te sturen.

doze off

/doʊz ɔf/

(phrasal verb) wegdommelen, indommelen

Voorbeeld:

I often doze off during long meetings.
Ik dommel vaak weg tijdens lange vergaderingen.

drop off

/drɑːp ɑːf/

(phrasal verb) in slaap vallen, wegdommelen, afzetten

Voorbeeld:

I was so tired that I started to drop off during the movie.
Ik was zo moe dat ik begon weg te dommelen tijdens de film.

nod off

/nɑːd ɑːf/

(phrasal verb) in slaap vallen, dommelen

Voorbeeld:

He kept nodding off during the boring lecture.
Hij bleef in slaap vallen tijdens de saaie lezing.

sleep off

/sliːp ɔːf/

(phrasal verb) uitslapen

Voorbeeld:

I need to go home and sleep off this headache.
Ik moet naar huis en deze hoofdpijn uitslapen.

cream off

/kriːm ɔf/

(phrasal verb) afromen, het beste eruit halen

Voorbeeld:

The company was accused of creaming off the profits.
Het bedrijf werd ervan beschuldigd de winsten af te romen.

show off

/ʃoʊ ɑːf/

(phrasal verb) opscheppen, pronken, tentoonspreiden

Voorbeeld:

He's always showing off his new car.
Hij is altijd aan het opscheppen over zijn nieuwe auto.

piss off

/pɪs ɑːf/

(phrasal verb) irriteren, kwaad maken, oprotten

Voorbeeld:

It really pisses me off when people don't listen.
Het maakt me echt kwaad als mensen niet luisteren.

scare off

/skɛr ɔf/

(phrasal verb) afschrikken, wegjagen

Voorbeeld:

The loud noise might scare off the birds.
Het harde geluid kan de vogels afschrikken.

tick off

/tɪk ɔf/

(phrasal verb) irriteren, boos maken, afvinken

Voorbeeld:

It really ticks me off when people are late.
Het maakt me echt kwaad als mensen te laat zijn.

mouth off

/maʊθ ɔf/

(phrasal verb) brutaal zijn, grote mond hebben

Voorbeeld:

He got fired for mouthing off to his boss.
Hij werd ontslagen omdat hij brutaal was tegen zijn baas.

sound off

/saʊnd ɔf/

(phrasal verb) luidkeels zijn mening geven, klagen, aftellen

Voorbeeld:

He likes to sound off about politics at family gatherings.
Hij houdt ervan om luidkeels zijn mening te geven over politiek op familiefeestjes.

tell off

/tel ˈɔf/

(phrasal verb) uitfoeteren, de les lezen

Voorbeeld:

The teacher had to tell him off for cheating.
De leraar moest hem uitfoeteren omdat hij vals speelde.

bounce off

/baʊns ɔf/

(phrasal verb) aftoetsen, bespreken, afkaatsen

Voorbeeld:

I need to bounce off some ideas with my team before presenting them to the client.
Ik moet wat ideeën aftoetsen met mijn team voordat ik ze aan de klant presenteer.

clock off

/klɑːk ɑːf/

(phrasal verb) uitklokken, afstempelen

Voorbeeld:

I usually clock off at 5 PM.
Ik klok meestal om 17.00 uur uit.

reel off

/riːl ˈɔːf/

(phrasal verb) opnoemen, opsommen

Voorbeeld:

She could reel off the names of all the presidents.
Ze kon de namen van alle presidenten opnoemen.

tip off

/tɪp ˈɔːf/

(phrasal verb) tippen, informeren, waarschuwen

Voorbeeld:

Someone must have tipped off the police about the robbery.
Iemand moet de politie getipt hebben over de overval.

ease off

/iːz ˈɔːf/

(phrasal verb) afnemen, verminderen, minderen

Voorbeeld:

The rain began to ease off after an hour.
De regen begon na een uur af te nemen.

tail off

/teɪl ɔf/

(phrasal verb) afnemen, verminderen

Voorbeeld:

Sales tend to tail off in the summer months.
De verkoop heeft de neiging om in de zomermaanden af te nemen.

trail off

/treɪl ɔf/

(phrasal verb) wegsterven, vervagen

Voorbeeld:

His voice trailed off as he realized his mistake.
Zijn stem stierf weg toen hij zijn fout besefte.

wear off

/wer ˈɔf/

(phrasal verb) uitwerken, verdwijnen, afnemen

Voorbeeld:

The effects of the painkiller started to wear off.
De effecten van de pijnstiller begonnen uit te werken.

work off

/wɜːrk ɔːf/

(phrasal verb) afreageren, kwijtraken, afwerken

Voorbeeld:

She went for a run to work off her anger.
Ze ging hardlopen om haar woede af te reageren.

brush off

/brʌʃ ɔf/

(phrasal verb) afwimpelen, negeren, afborstelen

Voorbeeld:

She tried to talk to him, but he just brushed her off.
Ze probeerde met hem te praten, maar hij wimpelde haar gewoon af.

laugh off

/læf ɑːf/

(phrasal verb) weglachen, bagatelliseren

Voorbeeld:

She tried to laugh off her mistake, but she was clearly embarrassed.
Ze probeerde haar fout weg te lachen, maar ze was duidelijk beschaamd.

shrug off

/ʃrʌɡ ɑːf/

(phrasal verb) afschudden, negeren

Voorbeeld:

He tried to shrug off the criticism, but it clearly bothered him.
Hij probeerde de kritiek van zich af te schudden, maar het stoorde hem duidelijk.

write off

/ˈraɪt ɔf/

(phrasal verb) afschrijven, waardeloos verklaren, als verloren beschouwen;

(noun) afschrijving, waardevermindering

Voorbeeld:

The company had to write off a significant amount of bad debt this quarter.
Het bedrijf moest dit kwartaal een aanzienlijk bedrag aan oninbare schulden afschrijven.

feed off

/fiːd ɔːf/

(phrasal verb) zich voeden met, eten van, gedijen op

Voorbeeld:

The birds feed off the berries in the garden.
De vogels voeden zich met de bessen in de tuin.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland