Avatar of Vocabulary Set B2 - Letter L

Vocabulaireverzameling B2 - Letter L in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter L' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

labour

/ˈleɪ.bɚ/

(noun) arbeid, werk, bevalling;

(verb) werken, zwoegen

Voorbeeld:

The construction project required a lot of manual labour.
Het bouwproject vereiste veel handmatige arbeid.

landscape

/ˈlænd.skeɪp/

(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;

(verb) landschappen, aanleggen

Voorbeeld:

The rolling hills and green valleys formed a beautiful landscape.
De glooiende heuvels en groene valleien vormden een prachtig landschap.

largely

/ˈlɑːrdʒ.li/

(adverb) grotendeels, voornamelijk

Voorbeeld:

The success of the project depends largely on teamwork.
Het succes van het project hangt grotendeels af van teamwork.

latest

/ˈleɪ.t̬ɪst/

(adjective) laatste, nieuwste, meest recente;

(adverb) uiterlijk, op zijn laatst

Voorbeeld:

Have you heard the latest news?
Heb je het laatste nieuws gehoord?

launch

/lɑːntʃ/

(verb) lanceren, starten, afschieten;

(noun) lancering, start

Voorbeeld:

The company plans to launch a new product next quarter.
Het bedrijf is van plan om volgend kwartaal een nieuw product te lanceren.

leadership

/ˈliː.dɚ.ʃɪp/

(noun) leiderschap, leiding, bestuur

Voorbeeld:

Effective leadership is crucial for the success of any team.
Effectief leiderschap is cruciaal voor het succes van elk team.

league

/liːɡ/

(noun) competitie, liga, bond;

(verb) verenigen, verbonden

Voorbeeld:

Our team joined the local football league.
Ons team sloot zich aan bij de plaatselijke voetbalcompetitie.

lean

/liːn/

(verb) leunen, hellen, leunen op;

(adjective) slank, mager, schaars

Voorbeeld:

He had to lean forward to hear what she was saying.
Hij moest naar voren leunen om te horen wat ze zei.

leave

/liːv/

(verb) verlaten, vertrekken, laten;

(noun) verlof, vrij, toestemming

Voorbeeld:

She decided to leave the party early.
Ze besloot het feest vroeg te verlaten.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

licence

/ˈlaɪ.səns/

(noun) licentie, vergunning, vrijheid;

(verb) licentiëren, vergunnen

Voorbeeld:

You need a valid driving licence to operate a vehicle.
Je hebt een geldig rijbewijs nodig om een voertuig te besturen.

limited

/ˈlɪm.ɪ.t̬ɪd/

(adjective) beperkt, gelimiteerd, besloten vennootschap

Voorbeeld:

We have a limited supply of this product.
We hebben een beperkte voorraad van dit product.

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.

lively

/ˈlaɪv.li/

(adjective) levendig, energiek, bruisend;

(adverb) levendig, energiek

Voorbeeld:

She has a very lively personality.
Ze heeft een erg levendige persoonlijkheid.

load

/loʊd/

(noun) lading, vracht, werkdruk;

(verb) laden, beladen, vullen

Voorbeeld:

The truck carried a heavy load of timber.
De vrachtwagen vervoerde een zware lading hout.

loan

/loʊn/

(noun) lening, krediet;

(verb) lenen, uitlenen

Voorbeeld:

She took out a bank loan to buy a new car.
Ze sloot een banklening af om een nieuwe auto te kopen.

logical

/ˈlɑː.dʒɪ.kəl/

(adjective) logisch, rationeel

Voorbeeld:

His argument was perfectly logical.
Zijn argument was volkomen logisch.

long-term

/ˌlɔŋˈtɜːrm/

(adjective) langetermijn, langdurig

Voorbeeld:

We need a long-term solution to this problem.
We hebben een langetermijnoplossing nodig voor dit probleem.

loose

/luːs/

(adjective) los, loszittend, vrij;

(verb) loslaten, vrijlaten

Voorbeeld:

The button on my shirt is loose.
De knoop op mijn shirt zit los.

lord

/lɔːrd/

(noun) heer, meester, Heer;

(verb) tot heer verheffen, heerschappij geven;

(exclamation) Heer, God

Voorbeeld:

The feudal lord controlled vast lands and many serfs.
De feodale heer beheerste uitgestrekte landen en vele lijfeigenen.

low

/loʊ/

(adjective) laag, weinig, neerslachtig;

(adverb) laag;

(noun) laagtepunt, minimum;

(verb) loeien

Voorbeeld:

The fence was too low to keep the dog in.
Het hek was te laag om de hond binnen te houden.

lower

/ˈloʊ.ɚ/

(verb) verlagen, neerlaten, verminderen;

(adjective) lager, minder hoog

Voorbeeld:

Please lower your voice.
Gelieve uw stem te verlagen.

lung

/lʌŋ/

(noun) long

Voorbeeld:

Smoking can cause serious damage to your lungs.
Roken kan ernstige schade aan je longen veroorzaken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland