Avatar of Vocabulary Set Thuisstad

Vocabulaireverzameling Thuisstad in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Thuisstad' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

village

/ˈvɪl.ɪdʒ/

(noun) dorp

Voorbeeld:

She grew up in a small, quiet village.
Ze groeide op in een klein, rustig dorp.

countryside

/ˈkʌn.tri.saɪd/

(noun) platteland

Voorbeeld:

We spent our vacation exploring the beautiful countryside.
We brachten onze vakantie door met het verkennen van het prachtige platteland.

isolated

/ˈaɪ.sə.leɪ.t̬ɪd/

(adjective) geïsoleerd, afgelegen, afgezonderd

Voorbeeld:

The village is very isolated, with no public transport.
Het dorp is erg geïsoleerd, zonder openbaar vervoer.

cottage

/ˈkɑː.t̬ɪdʒ/

(noun) huisje, cottage

Voorbeeld:

They rented a charming cottage by the lake for their vacation.
Ze huurden een charmant huisje aan het meer voor hun vakantie.

winding

/ˈwaɪn.dɪŋ/

(adjective) kronkelend, bochtig;

(noun) opwinding, wikkeling

Voorbeeld:

The car drove along the winding road.
De auto reed over de kronkelende weg.

well

/wel/

(adverb) goed, ruim;

(adjective) goed, gezond;

(interjection) nou, wel;

(noun) put, bron;

(verb) opwellen, stromen

Voorbeeld:

She sings very well.
Ze zingt heel goed.

buffalo

/ˈbʌf.ə.loʊ/

(noun) buffel;

(verb) intimideren, verwarren

Voorbeeld:

The herd of buffalo grazed peacefully on the savanna.
De kudde buffels graasde vredig op de savanne.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

canal

/kəˈnæl/

(noun) kanaal, vaarweg

Voorbeeld:

The Panama Canal connects the Atlantic and Pacific Oceans.
Het Panamakanaal verbindt de Atlantische en Stille Oceaan.

river

/ˈrɪv.ɚ/

(noun) rivier

Voorbeeld:

The boat sailed down the river.
De boot voer de rivier af.

pond

/pɑːnd/

(noun) vijver;

(verb) overwegen, nadenken

Voorbeeld:

The ducks are swimming in the pond.
De eenden zwemmen in de vijver.

folk music

/ˈfoʊk ˌmjuː.zɪk/

(noun) volksmuziek

Voorbeeld:

She grew up listening to traditional folk music.
Ze groeide op met het luisteren naar traditionele volksmuziek.

farm

/fɑːrm/

(noun) boerderij, hoeve;

(verb) verbouwen, boeren

Voorbeeld:

My grandparents live on a large farm in the countryside.
Mijn grootouders wonen op een grote boerderij op het platteland.

plow

/plaʊ/

(noun) ploeg;

(verb) ploegen, omploegen, zich een weg banen

Voorbeeld:

The farmer used a heavy plow to prepare the field for planting.
De boer gebruikte een zware ploeg om het veld voor te bereiden op het planten.

agriculture

/ˈæɡ.rə.kʌl.tʃɚ/

(noun) landbouw, agrarische sector

Voorbeeld:

Modern agriculture relies heavily on technology.
Moderne landbouw is sterk afhankelijk van technologie.

boat

/boʊt/

(noun) boot, vaartuig;

(verb) varen, bootje varen

Voorbeeld:

We took a small boat out on the lake.
We namen een kleine boot mee het meer op.

peaceful

/ˈpiːs.fəl/

(adjective) vredig, rustig, vredelievend

Voorbeeld:

The lake was calm and peaceful at dawn.
Het meer was kalm en vredig bij zonsopgang.

bay

/beɪ/

(noun) baai, nis, ruimte;

(verb) blaffen, huilen

Voorbeeld:

The ship sailed into the calm bay.
Het schip zeilde de kalme baai in.

hill

/hɪl/

(noun) heuvel, helling, stijging;

(verb) ophopen, heuvelen

Voorbeeld:

We climbed the hill to get a better view.
We beklommen de heuvel om een beter uitzicht te krijgen.

forest

/ˈfɔːr.ɪst/

(noun) bos, woud;

(verb) bebossen, aanplanten

Voorbeeld:

We went for a walk in the forest.
We gingen wandelen in het bos.

mountain

/ˈmaʊn.tən/

(noun) berg, hoop

Voorbeeld:

Mount Everest is the highest mountain in the world.
Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

port

/pɔːrt/

(noun) haven, port, portwijn;

(verb) dragen, vervoeren, naar bakboord draaien

Voorbeeld:

The ship arrived at the port early in the morning.
Het schip arriveerde vroeg in de ochtend in de haven.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

sand

/sænd/

(noun) zand;

(verb) schuren, gladschuren

Voorbeeld:

The children played in the sand on the beach.
De kinderen speelden in het zand op het strand.

valley

/ˈvæl.i/

(noun) vallei, dal

Voorbeeld:

The village is nestled in a beautiful green valley.
Het dorp ligt verscholen in een prachtige groene vallei.

waterfall

/ˈwɑː.t̬ɚ.fɑːl/

(noun) waterval

Voorbeeld:

The majestic waterfall cascaded down the cliff.
De majestueuze waterval stortte van de klif.

barn

/bɑːrn/

(noun) schuur, stal

Voorbeeld:

The farmer stored his hay in the barn.
De boer bewaarde zijn hooi in de schuur.

harvest

/ˈhɑːr.vəst/

(noun) oogst, opbrengst;

(verb) oogsten, binnenhalen, plukken

Voorbeeld:

The harvest was abundant this year due to good weather.
De oogst was overvloedig dit jaar dankzij het goede weer.

cattle

/ˈkæt̬.əl/

(noun) vee, runderen

Voorbeeld:

The farmer herded his cattle into the barn.
De boer dreef zijn vee de schuur in.

rural

/ˈrʊr.əl/

(adjective) landelijk, ruraal

Voorbeeld:

She grew up in a small rural village.
Ze groeide op in een klein landelijk dorp.

cliff

/klɪf/

(noun) klif, rotswand

Voorbeeld:

The house stood on a cliff overlooking the ocean.
Het huis stond op een klif met uitzicht op de oceaan.

landscape

/ˈlænd.skeɪp/

(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;

(verb) landschappen, aanleggen

Voorbeeld:

The rolling hills and green valleys formed a beautiful landscape.
De glooiende heuvels en groene valleien vormden een prachtig landschap.

terraced house

/ˈter.əst ˌhaʊs/

(noun) rijtjeshuis

Voorbeeld:

They bought a charming old terraced house in the city center.
Ze kochten een charmant oud rijtjeshuis in het stadscentrum.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland