Avatar of Vocabulary Set Top 176 - 200 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 176 - 200 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 176 - 200 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

matter

/ˈmæt̬.ɚ/

(noun) materie, stof, zaak;

(verb) er toe doen, belangrijk zijn

Voorbeeld:

All living things are composed of matter.
Alle levende wezens zijn samengesteld uit materie.

affect

/əˈfekt/

(verb) beïnvloeden, aantasten, aandoen

Voorbeeld:

The weather will affect our travel plans.
Het weer zal onze reisplannen beïnvloeden.

form

/fɔːrm/

(noun) vorm, soort, formulier;

(verb) vormen, creëren, ontstaan

Voorbeeld:

Water can exist in solid, liquid, or gaseous form.
Water kan bestaan in vaste, vloeibare of gasvormige vorm.

fill

/fɪl/

(verb) vullen, opvullen, invullen;

(noun) vulling, hoeveelheid

Voorbeeld:

Please fill the bottle with water.
Gelieve de fles met water te vullen.

burn

/bɝːn/

(verb) branden, verbranden, verbruiken;

(noun) brandwond, verbranding

Voorbeeld:

The wood burned brightly in the fireplace.
Het hout brandde fel in de open haard.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

act

/ækt/

(verb) handelen, doen, acteren;

(noun) daad, handeling, wet

Voorbeeld:

It's time to act.
Het is tijd om te handelen.

tend

/tend/

(verb) neigen, tendere, verzorgen

Voorbeeld:

People tend to be happier in the summer.
Mensen hebben de neiging gelukkiger te zijn in de zomer.

place

/pleɪs/

(noun) plaats, plek, huis;

(verb) plaatsen, leggen, herkennen

Voorbeeld:

This is a good place to sit.
Dit is een goede plek om te zitten.

avoid

/əˈvɔɪd/

(verb) vermijden, ontwijken

Voorbeeld:

She tried to avoid eye contact.
Ze probeerde oogcontact te vermijden.

agree

/əˈɡriː/

(verb) instemmen, het eens zijn, overeenkomen

Voorbeeld:

I agree with your assessment.
Ik ben het eens met uw beoordeling.

recognize

/ˈrek.əɡ.naɪz/

(verb) herkennen, erkennen, inzien

Voorbeeld:

I didn't recognize her at first with her new haircut.
Ik herkende haar eerst niet met haar nieuwe kapsel.

charge

/tʃɑːrdʒ/

(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;

(noun) kosten, vergoeding, aanklacht

Voorbeeld:

The restaurant charged us for water we didn't order.
Het restaurant rekende ons water aan dat we niet hadden besteld.

lie

/laɪ/

(verb) liggen, zich bevinden, liegen;

(noun) leugen, onwaarheid

Voorbeeld:

She likes to lie on the beach and read.
Ze houdt ervan om op het strand te liggen en te lezen.

finish

/ˈfɪn.ɪʃ/

(noun) einde, afloop, afwerking;

(verb) afmaken, voltooien, eindigen

Voorbeeld:

We reached the finish line after a long race.
We bereikten de finishlijn na een lange race.

enter

/ˈen.t̬ɚ/

(verb) binnengaan, ingaan, invoeren

Voorbeeld:

He entered the room quietly.
Hij ging de kamer stil binnen.

fix

/fɪks/

(verb) repareren, herstellen, bevestigen;

(noun) oplossing, reparatie, dosis

Voorbeeld:

Can you fix my broken chair?
Kun je mijn kapotte stoel repareren?

grab

/ɡræb/

(verb) grijpen, pakken, snel pakken;

(noun) greep, pak

Voorbeeld:

She tried to grab the falling vase.
Ze probeerde de vallende vaas te grijpen.

touch

/tʌtʃ/

(verb) aanraken, raken, aangrijpen;

(noun) aanraking, gevoel, vleugje

Voorbeeld:

Don't touch the wet paint.
Raak de natte verf niet aan.

discover

/dɪˈskʌv.ɚ/

(verb) ontdekken, vinden, erachter komen

Voorbeeld:

Scientists hope to discover a cure for cancer.
Wetenschappers hopen een geneesmiddel voor kanker te ontdekken.

design

/dɪˈzaɪn/

(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;

(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor

Voorbeeld:

The architect presented the final design for the new building.
De architect presenteerde het definitieve ontwerp voor het nieuwe gebouw.

taste

/teɪst/

(noun) smaak, voorkeur;

(verb) proeven, smaken

Voorbeeld:

The soup has a delicious taste.
De soep heeft een heerlijke smaak.

fail

/feɪl/

(verb) falen, mislukken, verzuimen;

(noun) mislukking, falen

Voorbeeld:

He tried his best, but he still failed the exam.
Hij deed zijn best, maar hij faalde toch voor het examen.

represent

/ˌrep.rɪˈzent/

(verb) vertegenwoordigen, symboliseren, optreden voor

Voorbeeld:

The dove represents peace.
De duif staat voor vrede.

hurt

/hɝːt/

(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;

(noun) pijn, blessure, verdriet;

(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst

Voorbeeld:

Did you hurt your knee when you fell?
Heb je je knie bezeerd toen je viel?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland