Vocabulaireverzameling Top 176 - 200 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 176 - 200 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) materie, stof, zaak;
(verb) er toe doen, belangrijk zijn
Voorbeeld:
(verb) beïnvloeden, aantasten, aandoen
Voorbeeld:
(noun) vorm, soort, formulier;
(verb) vormen, creëren, ontstaan
Voorbeeld:
(verb) vullen, opvullen, invullen;
(noun) vulling, hoeveelheid
Voorbeeld:
(verb) branden, verbranden, verbruiken;
(noun) brandwond, verbranding
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(verb) handelen, doen, acteren;
(noun) daad, handeling, wet
Voorbeeld:
(verb) neigen, tendere, verzorgen
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(verb) vermijden, ontwijken
Voorbeeld:
(verb) instemmen, het eens zijn, overeenkomen
Voorbeeld:
(verb) herkennen, erkennen, inzien
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(verb) liggen, zich bevinden, liegen;
(noun) leugen, onwaarheid
Voorbeeld:
(noun) einde, afloop, afwerking;
(verb) afmaken, voltooien, eindigen
Voorbeeld:
(verb) binnengaan, ingaan, invoeren
Voorbeeld:
(verb) repareren, herstellen, bevestigen;
(noun) oplossing, reparatie, dosis
Voorbeeld:
(verb) grijpen, pakken, snel pakken;
(noun) greep, pak
Voorbeeld:
(verb) aanraken, raken, aangrijpen;
(noun) aanraking, gevoel, vleugje
Voorbeeld:
(verb) ontdekken, vinden, erachter komen
Voorbeeld:
(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;
(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor
Voorbeeld:
(noun) smaak, voorkeur;
(verb) proeven, smaken
Voorbeeld:
(verb) falen, mislukken, verzuimen;
(noun) mislukking, falen
Voorbeeld:
(verb) vertegenwoordigen, symboliseren, optreden voor
Voorbeeld:
(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;
(noun) pijn, blessure, verdriet;
(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst
Voorbeeld: