Avatar of Vocabulary Set Top 401 - 425 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 401 - 425 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 401 - 425 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

site

/saɪt/

(noun) locatie, plaats, terrein;

(verb) plaatsen, situeren, lokaliseren

Voorbeeld:

The construction of the new school is on a large site.
De bouw van de nieuwe school is op een grote locatie.

advantage

/ədˈvæn.t̬ɪdʒ/

(noun) voordeel, pluspunt;

(verb) bevoordelen, voordeel geven

Voorbeeld:

His height gave him an advantage in basketball.
Zijn lengte gaf hem een voordeel in basketbal.

bank

/bæŋk/

(noun) bank, oever, wal;

(verb) storten, bankieren, ophopen

Voorbeeld:

I need to go to the bank to deposit a check.
Ik moet naar de bank om een cheque te storten.

hole

/hoʊl/

(noun) gat, hol, moeilijke situatie;

(verb) doorboren, gaten maken

Voorbeeld:

There's a small hole in my sock.
Er zit een klein gat in mijn sok.

front

/frʌnt/

(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);

(adjective) voor, voorste;

(verb) uitkijken op, grenzen aan;

(adverb) voorin, vooraan

Voorbeeld:

The car was damaged at the front.
De auto was beschadigd aan de voorkant.

cake

/keɪk/

(noun) cake, taart, koekje;

(verb) aankoeken, samenkoeken

Voorbeeld:

She baked a delicious chocolate cake for the party.
Ze bakte een heerlijke chocolade cake voor het feest.

connection

/kəˈnek.ʃən/

(noun) verband, connectie, aansluiting

Voorbeeld:

There's a strong connection between diet and health.
Er is een sterk verband tussen dieet en gezondheid.

economy

/iˈkɑː.nə.mi/

(noun) economie, zuinigheid, besparing

Voorbeeld:

The country's economy is growing rapidly.
De economie van het land groeit snel.

flavor

/ˈfleɪ.vɚ/

(noun) smaak, aroma, sfeer;

(verb) op smaak brengen, aromatiseren

Voorbeeld:

This ice cream has a rich vanilla flavor.
Dit ijs heeft een rijke vanillesmaak.

performance

/pɚˈfɔːr.məns/

(noun) prestatie, uitvoering, voorstelling

Voorbeeld:

The performance of the new engine is impressive.
De prestaties van de nieuwe motor zijn indrukwekkend.

tooth

/tuːθ/

(noun) tand, vertanding

Voorbeeld:

He brushed his teeth twice a day.
Hij poetste zijn tanden twee keer per dag.

method

/ˈmeθ.əd/

(noun) methode, werkwijze

Voorbeeld:

The scientific method involves observation, hypothesis, and experimentation.
De wetenschappelijke methode omvat observatie, hypothese en experimenten.

gas

/ɡæs/

(noun) gas, benzine, brandstof;

(verb) gas geven, tanken

Voorbeeld:

Natural gas is used for heating homes.
Aardgas wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

college

/ˈkɑː.lɪdʒ/

(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten

Voorbeeld:

She is going to college next year to study engineering.
Ze gaat volgend jaar naar de hogeschool om techniek te studeren.

trial

/traɪəl/

(noun) rechtszaak, proces, proef;

(verb) testen, uitproberen

Voorbeeld:

The suspect is currently awaiting trial.
De verdachte wacht momenteel op zijn rechtszaak.

knowledge

/ˈnɑː.lɪdʒ/

(noun) kennis, wetenschap, bewustzijn

Voorbeeld:

Her knowledge of ancient history is impressive.
Haar kennis van de oude geschiedenis is indrukwekkend.

property

/ˈprɑː.pɚ.t̬i/

(noun) eigendom, bezit, pand

Voorbeeld:

The house is my personal property.
Het huis is mijn persoonlijke eigendom.

plane

/pleɪn/

(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;

(verb) schaven, vlak maken

Voorbeeld:

The points all lie on the same plane.
De punten liggen allemaal op hetzelfde vlak.

diet

/ˈdaɪ.ət/

(noun) dieet, voeding, kuur;

(verb) diëten, op dieet zijn

Voorbeeld:

A healthy diet includes plenty of fruits and vegetables.
Een gezond dieet omvat veel fruit en groenten.

document

/ˈdɑː.kjə.mənt/

(noun) document, akte;

(verb) documenteren, vastleggen

Voorbeeld:

Please sign all the necessary documents before leaving.
Gelieve alle benodigde documenten te ondertekenen voordat u vertrekt.

speech

/spiːtʃ/

(noun) spraak, spreekvermogen, toespraak

Voorbeeld:

He lost his speech after the accident.
Hij verloor zijn spraakvermogen na het ongeluk.

reaction

/riˈæk.ʃən/

(noun) reactie, respons, chemische reactie

Voorbeeld:

His immediate reaction was to call for help.
Zijn onmiddellijke reactie was om hulp te roepen.

network

/ˈnet.wɝːk/

(noun) netwerk, web, groep;

(verb) netwerken, verbinden

Voorbeeld:

The city has a complex network of roads.
De stad heeft een complex netwerk van wegen.

sale

/seɪl/

(noun) verkoop, afzet, uitverkoop

Voorbeeld:

The sale of the house was completed last week.
De verkoop van het huis werd vorige week afgerond.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland