Vocabulaireverzameling Top 401 - 425 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 401 - 425 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) locatie, plaats, terrein;
(verb) plaatsen, situeren, lokaliseren
Voorbeeld:
(noun) voordeel, pluspunt;
(verb) bevoordelen, voordeel geven
Voorbeeld:
(noun) bank, oever, wal;
(verb) storten, bankieren, ophopen
Voorbeeld:
(noun) gat, hol, moeilijke situatie;
(verb) doorboren, gaten maken
Voorbeeld:
(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);
(adjective) voor, voorste;
(verb) uitkijken op, grenzen aan;
(adverb) voorin, vooraan
Voorbeeld:
(noun) cake, taart, koekje;
(verb) aankoeken, samenkoeken
Voorbeeld:
(noun) verband, connectie, aansluiting
Voorbeeld:
(noun) economie, zuinigheid, besparing
Voorbeeld:
(noun) smaak, aroma, sfeer;
(verb) op smaak brengen, aromatiseren
Voorbeeld:
(noun) prestatie, uitvoering, voorstelling
Voorbeeld:
(noun) tand, vertanding
Voorbeeld:
(noun) methode, werkwijze
Voorbeeld:
(noun) gas, benzine, brandstof;
(verb) gas geven, tanken
Voorbeeld:
(noun) vloer, verdieping;
(verb) vloeren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten
Voorbeeld:
(noun) rechtszaak, proces, proef;
(verb) testen, uitproberen
Voorbeeld:
(noun) kennis, wetenschap, bewustzijn
Voorbeeld:
(noun) eigendom, bezit, pand
Voorbeeld:
(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;
(verb) schaven, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) dieet, voeding, kuur;
(verb) diëten, op dieet zijn
Voorbeeld:
(noun) document, akte;
(verb) documenteren, vastleggen
Voorbeeld:
(noun) spraak, spreekvermogen, toespraak
Voorbeeld:
(noun) reactie, respons, chemische reactie
Voorbeeld:
(noun) netwerk, web, groep;
(verb) netwerken, verbinden
Voorbeeld:
(noun) verkoop, afzet, uitverkoop
Voorbeeld: