Avatar of Vocabulary Set Top 276 - 300 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 276 - 300 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 276 - 300 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

battery

/ˈbæt̬.ɚ.i/

(noun) batterij, accu, mishandeling

Voorbeeld:

My phone's battery is low.
De batterij van mijn telefoon is bijna leeg.

material

/məˈtɪr.i.əl/

(noun) materiaal, stof, informatie;

(adjective) materieel, stoffelijk

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing material.
De jurk was gemaakt van een zachte, vloeiende stof.

applause

/əˈplɑːz/

(noun) applaus, geklap

Voorbeeld:

The audience erupted in thunderous applause after the performance.
Het publiek barstte in daverend applaus uit na de voorstelling.

evidence

/ˈev.ə.dəns/

(noun) bewijs, aanwijzing;

(verb) aantonen, bewijzen, aangeven

Voorbeeld:

There is no scientific evidence to support his claim.
Er is geen wetenschappelijk bewijs om zijn bewering te ondersteunen.

call

/kɑːl/

(verb) roepen, schreeuwen, bellen;

(noun) bezoek, oproep, telefoontje

Voorbeeld:

She had to call his name twice before he heard her.
Ze moest zijn naam twee keer roepen voordat hij haar hoorde.

attack

/əˈtæk/

(noun) aanval, kritiek;

(verb) aanvallen, bekritiseren

Voorbeeld:

The army launched a surprise attack on the enemy.
Het leger lanceerde een verrassingsaanval op de vijand.

support

/səˈpɔːrt/

(verb) ondersteunen, steunen, onderhouden;

(noun) ondersteuning, steun, draagvlak

Voorbeeld:

She works hard to support her family.
Ze werkt hard om haar gezin te onderhouden.

bed

/bed/

(noun) bed, bedding, bodem;

(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten

Voorbeeld:

I'm so tired, I just want to go to bed.
Ik ben zo moe, ik wil gewoon naar bed.

art

/ɑːrt/

(noun) kunst, vaardigheid

Voorbeeld:

She studied fine art at university.
Ze studeerde beeldende kunst aan de universiteit.

population

/ˌpɑː.pjəˈleɪ.ʃən/

(noun) bevolking, inwoners, populatie

Voorbeeld:

The city's population has grown rapidly in the last decade.
De bevolking van de stad is de afgelopen tien jaar snel gegroeid.

machine

/məˈʃiːn/

(noun) machine, apparaat, robot;

(verb) machinaal bewerken, bewerken

Voorbeeld:

The washing machine broke down.
De wasmachine ging kapot.

account

/əˈkaʊnt/

(noun) verslag, beschrijving, rekening;

(verb) beschouwen, verklaren

Voorbeeld:

She gave a detailed account of her travels.
Ze gaf een gedetailleerd verslag van haar reizen.

skill

/skɪl/

(noun) vaardigheid, bekwaamheid

Voorbeeld:

He has excellent communication skills.
Hij heeft uitstekende communicatievaardigheden.

training

/ˈtreɪ.nɪŋ/

(noun) training, opleiding

Voorbeeld:

The company provides extensive training for new employees.
Het bedrijf biedt uitgebreide training voor nieuwe medewerkers.

cost

/kɑːst/

(noun) kosten, prijs, opoffering;

(verb) kosten, resulteren in verlies

Voorbeeld:

The total cost of the trip was over $1000.
De totale kosten van de reis waren meer dan $1000.

industry

/ˈɪn.də.stri/

(noun) industrie, nijverheid, vlijt

Voorbeeld:

The automotive industry is a major employer in the region.
De auto-industrie is een belangrijke werkgever in de regio.

nature

/ˈneɪ.tʃɚ/

(noun) natuur, aard, karakter

Voorbeeld:

Let's go for a walk in nature.
Laten we een wandeling maken in de natuur.

speed

/spiːd/

(noun) snelheid, versnelling, gang;

(verb) snel, haasten

Voorbeeld:

The car reached a high speed on the highway.
De auto bereikte een hoge snelheid op de snelweg.

mile

/maɪl/

(noun) mijl, lange weg, extra inspanning

Voorbeeld:

The nearest town is ten miles away.
De dichtstbijzijnde stad is tien mijlen verderop.

truth

/truːθ/

(noun) waarheid, feit

Voorbeeld:

He always speaks the truth.
Hij spreekt altijd de waarheid.

quality

/ˈkwɑː.lə.t̬i/

(noun) kwaliteit, eigenschap, kenmerk;

(adjective) kwaliteits-, uitstekend

Voorbeeld:

The hotel offers high-quality service.
Het hotel biedt service van hoge kwaliteit.

leader

/ˈliː.dɚ/

(noun) leider, aanvoerder, koploper

Voorbeeld:

The team's leader motivated everyone to work harder.
De leider van het team motiveerde iedereen om harder te werken.

culture

/ˈkʌl.tʃɚ/

(noun) cultuur, kweek;

(verb) kweken, cultiveren

Voorbeeld:

Japanese culture is rich in tradition.
De Japanse cultuur is rijk aan traditie.

photograph

/ˈfoʊ.t̬oʊ.ɡræf/

(noun) foto, fotografie;

(verb) fotograferen, een foto maken

Voorbeeld:

She showed me a beautiful photograph of her family.
Ze liet me een prachtige foto van haar familie zien.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland