Avatar of Vocabulary Set Top 1 - 25 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 1 - 25 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 1 - 25 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

people

/ˈpiː.pəl/

(noun) mensen, volk, natie;

(verb) bevolken, vullen

Voorbeeld:

Many people attended the concert.
Veel mensen woonden het concert bij.

thing

/θɪŋ/

(noun) ding, voorwerp, zaak

Voorbeeld:

What is that thing over there?
Wat is dat ding daar?

time

/taɪm/

(noun) tijd, uur, keer;

(verb) timen, klokken, afstemmen

Voorbeeld:

Time flies when you're having fun.
Tijd vliegt als je plezier hebt.

way

/weɪ/

(noun) manier, wijze, weg;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

There are many ways to solve this problem.
Er zijn veel manieren om dit probleem op te lossen.

year

/jɪr/

(noun) jaar

Voorbeeld:

The new school year begins in September.
Het nieuwe schooljaar begint in september.

month

/mʌnθ/

(noun) maand

Voorbeeld:

There are twelve months in a year.
Er zijn twaalf maanden in een jaar.

day

/deɪ/

(noun) dag, tijd, periode;

(adverb) dagelijks, overdag

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

coffee

/ˈkɑː.fi/

(noun) koffie, koffiebonen

Voorbeeld:

I start my day with a cup of hot coffee.
Ik begin mijn dag met een kop hete koffie.

life

/laɪf/

(noun) leven, bestaan, levensduur

Voorbeeld:

Water is essential for life.
Water is essentieel voor leven.

guy

/ɡaɪ/

(noun) kerel, gast, jongens;

(verb) bespotten, voor de gek houden

Voorbeeld:

He's a really nice guy.
Hij is echt een aardige kerel.

world

/wɝːld/

(noun) wereld, gebied

Voorbeeld:

The world is a beautiful place.
De wereld is een prachtige plek.

part

/pɑːrt/

(noun) deel, stuk, rol;

(verb) scheiden, uiteengaan;

(adverb) deels, gedeeltelijk

Voorbeeld:

I only read the first part of the book.
Ik heb alleen het eerste deel van het boek gelezen.

today

/təˈdeɪ/

(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;

(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb veel werk te doen vandaag.

man

/mæn/

(noun) man, mens;

(verb) bemannen, bezettent;

(exclamation) man

Voorbeeld:

The man walked into the room.
De man liep de kamer binnen.

woman

/ˈwʊm.ən/

(noun) vrouw

Voorbeeld:

The woman walked into the room.
De vrouw liep de kamer binnen.

question

/ˈkwes.tʃən/

(noun) vraag, vraagstuk, kwestie;

(verb) ondervragen, bevragen, betwijfelen

Voorbeeld:

She asked a difficult question.
Ze stelde een moeilijke vraag.

number

/ˈnʌm.bɚ/

(noun) getal, nummer, aantal;

(verb) bedragen, tellen, nummeren

Voorbeeld:

Write down your phone number.
Schrijf je telefoonnummer op.

point

/pɔɪnt/

(noun) punt, uiteinde, plaats;

(verb) wijzen, aanduiden, richten

Voorbeeld:

The point of the knife was very sharp.
De punt van het mes was erg scherp.

word

/wɝːd/

(noun) woord, bericht, sein;

(verb) formuleren, onder woorden brengen

Voorbeeld:

The teacher asked the students to spell a difficult word.
De leraar vroeg de studenten om een moeilijk woord te spellen.

case

/keɪs/

(noun) geval, koffer, doos;

(verb) verpakken, inpakken, observeren

Voorbeeld:

In this case, we need to act quickly.
In dit geval moeten we snel handelen.

music

/ˈmjuː.zɪk/

(noun) muziek, bladmuziek, noten

Voorbeeld:

She loves listening to classical music.
Ze luistert graag naar klassieke muziek.

place

/pleɪs/

(noun) plaats, plek, huis;

(verb) plaatsen, leggen, herkennen

Voorbeeld:

This is a good place to sit.
Dit is een goede plek om te zitten.

idea

/aɪˈdiː.ə/

(noun) idee, voorstel, concept

Voorbeeld:

That's a great idea!
Dat is een geweldig idee!

money

/ˈmʌn.i/

(noun) geld, vermogen, kapitaal

Voorbeeld:

I need to withdraw some money from the bank.
Ik moet wat geld opnemen van de bank.

person

/ˈpɝː.sən/

(noun) persoon, individu, personage

Voorbeeld:

She is a very kind person.
Zij is een heel aardig persoon.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland