Vocabulaireverzameling Top 226 - 250 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 226 - 250 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adverb) online, verbonden;
(adjective) online, digitaal
Voorbeeld:
(adjective) schattig, lief, aantrekkelijk
Voorbeeld:
(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;
(adjective) gescheiden, apart
Voorbeeld:
(adjective) klassiek, tijdloos, geweldig;
(noun) klassieker, klassiek werk
Voorbeeld:
(adjective) potentieel, mogelijke;
(noun) potentieel, mogelijkheden
Voorbeeld:
(adjective) super, geweldig;
(adverb) super, extreem;
(prefix) boven, over, voorbij
Voorbeeld:
(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;
(noun) professional, vakman, expert
Voorbeeld:
(adjective) nieuwsgierig, benieuwd, merkwaardig
Voorbeeld:
(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);
(adjective) voor, voorste;
(verb) uitkijken op, grenzen aan;
(adverb) voorin, vooraan
Voorbeeld:
(adjective) gelukkig, mazzel
Voorbeeld:
(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;
(verb) leiden, besturen, dirigeren;
(adverb) direct, rechtstreeks
Voorbeeld:
(noun) geheim, truc;
(adjective) geheim, vertrouwelijk
Voorbeeld:
(adjective) aanvullend, extra
Voorbeeld:
(verb) leven, wonen, verblijven;
(adjective) live, rechtstreeks, levend;
(adverb) live, rechtstreeks
Voorbeeld:
(adjective) zeldzaam, ongewoon, rood
Voorbeeld:
(adjective) moe, vermoeid, zat
Voorbeeld:
(adjective) elektrisch, geladen, opwindend
Voorbeeld:
(adjective) bruin;
(noun) bruin, bruine kleur;
(verb) bruinen, bakken
Voorbeeld:
(adjective) willekeurig, toevallig, onbekend
Voorbeeld:
(adjective) algemeen, totaal;
(adverb) over het algemeen, in het algemeen;
(noun) overall, tuinbroek
Voorbeeld:
(adjective) boos, woedend
Voorbeeld:
(adjective) druk, bezig, bezet;
(verb) bezig houden, occuperen
Voorbeeld:
(adjective) blij, verheugd, vreugdevol;
(verb) verblijden, verheugen
Voorbeeld:
(adjective) dom, stom;
(noun) domoor, stomkop
Voorbeeld:
(noun) minuut, ogenblik, moment;
(adjective) miniem, minuscuul
Voorbeeld: