Avatar of Vocabulary Set Top 226 - 250 Adjectives

Vocabulaireverzameling Top 226 - 250 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 226 - 250 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

online

/ˈɑːn.laɪn/

(adverb) online, verbonden;

(adjective) online, digitaal

Voorbeeld:

I bought the book online.
Ik heb het boek online gekocht.

cute

/kjuːt/

(adjective) schattig, lief, aantrekkelijk

Voorbeeld:

The puppy was so cute with its big eyes.
De puppy was zo schattig met zijn grote ogen.

separate

/ˈsep.ɚ.ət/

(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;

(adjective) gescheiden, apart

Voorbeeld:

The fence separates the two properties.
Het hek scheidt de twee eigendommen.

classic

/ˈklæs.ɪk/

(adjective) klassiek, tijdloos, geweldig;

(noun) klassieker, klassiek werk

Voorbeeld:

Her new album is a classic.
Haar nieuwe album is een klassieker.

potential

/poʊˈten.ʃəl/

(adjective) potentieel, mogelijke;

(noun) potentieel, mogelijkheden

Voorbeeld:

He is a potential candidate for the job.
Hij is een potentiële kandidaat voor de baan.

super

/ˈsuː.pɚ/

(adjective) super, geweldig;

(adverb) super, extreem;

(prefix) boven, over, voorbij

Voorbeeld:

We had a super time at the party.
We hadden een super tijd op het feest.

professional

/prəˈfeʃ.ən.əl/

(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;

(noun) professional, vakman, expert

Voorbeeld:

She sought professional advice from a lawyer.
Ze zocht professioneel advies van een advocaat.

curious

/ˈkjʊr.i.əs/

(adjective) nieuwsgierig, benieuwd, merkwaardig

Voorbeeld:

The child was curious about how the toy worked.
Het kind was nieuwsgierig naar hoe het speelgoed werkte.

front

/frʌnt/

(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);

(adjective) voor, voorste;

(verb) uitkijken op, grenzen aan;

(adverb) voorin, vooraan

Voorbeeld:

The car was damaged at the front.
De auto was beschadigd aan de voorkant.

lucky

/ˈlʌk.i/

(adjective) gelukkig, mazzel

Voorbeeld:

I feel so lucky to have such supportive friends.
Ik voel me zo gelukkig dat ik zulke ondersteunende vrienden heb.

direct

/daɪˈrekt/

(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;

(verb) leiden, besturen, dirigeren;

(adverb) direct, rechtstreeks

Voorbeeld:

Take a direct route to the station.
Neem een directe route naar het station.

secret

/ˈsiː.krət/

(noun) geheim, truc;

(adjective) geheim, vertrouwelijk

Voorbeeld:

Can you keep a secret?
Kun je een geheim bewaren?

additional

/əˈdɪʃ.ən.əl/

(adjective) aanvullend, extra

Voorbeeld:

We need additional information before we can proceed.
We hebben aanvullende informatie nodig voordat we verder kunnen gaan.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

rare

/rer/

(adjective) zeldzaam, ongewoon, rood

Voorbeeld:

It's rare to see snow in this region.
Het is zeldzaam om sneeuw te zien in deze regio.

tired

/taɪrd/

(adjective) moe, vermoeid, zat

Voorbeeld:

I'm so tired, I could sleep for a week.
Ik ben zo moe, ik zou een week kunnen slapen.

electric

/ɪˈlek.trɪk/

(adjective) elektrisch, geladen, opwindend

Voorbeeld:

She bought a new electric car.
Ze kocht een nieuwe elektrische auto.

brown

/braʊn/

(adjective) bruin;

(noun) bruin, bruine kleur;

(verb) bruinen, bakken

Voorbeeld:

She has beautiful brown eyes.
Ze heeft prachtige bruine ogen.

random

/ˈræn.dəm/

(adjective) willekeurig, toevallig, onbekend

Voorbeeld:

The winning numbers are chosen at random.
De winnende nummers worden willekeurig gekozen.

overall

/ˌoʊ.vɚˈɑːl/

(adjective) algemeen, totaal;

(adverb) over het algemeen, in het algemeen;

(noun) overall, tuinbroek

Voorbeeld:

The overall cost of the project was higher than expected.
De totale kosten van het project waren hoger dan verwacht.

angry

/ˈæŋ.ɡri/

(adjective) boos, woedend

Voorbeeld:

She was very angry about the decision.
Ze was erg boos over de beslissing.

busy

/ˈbɪz.i/

(adjective) druk, bezig, bezet;

(verb) bezig houden, occuperen

Voorbeeld:

I'm too busy to talk right now.
Ik ben te druk om nu te praten.

glad

/ɡlæd/

(adjective) blij, verheugd, vreugdevol;

(verb) verblijden, verheugen

Voorbeeld:

I'm so glad to see you!
Ik ben zo blij je te zien!

stupid

/ˈstuː.pɪd/

(adjective) dom, stom;

(noun) domoor, stomkop

Voorbeeld:

That was a really stupid mistake.
Dat was echt een domme fout.

minute

/ˈmɪn.ɪt/

(noun) minuut, ogenblik, moment;

(adjective) miniem, minuscuul

Voorbeeld:

The meeting will start in five minutes.
De vergadering begint over vijf minuten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland