Avatar of Vocabulary Set B2 - Ik koos niet voor het stadsleven!

Vocabulaireverzameling B2 - Ik koos niet voor het stadsleven! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Ik koos niet voor het stadsleven!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

abandoned

/əˈbæn.dənd/

(adjective) verlaten, achtergelaten, onbelemmerd

Voorbeeld:

The old house stood abandoned for years.
Het oude huis stond jarenlang verlaten.

classical

/ˈklæs.ɪ.kəl/

(adjective) klassiek, typisch

Voorbeeld:

She studied classical literature at university.
Ze studeerde klassieke literatuur aan de universiteit.

external

/ɪkˈstɝː.nəl/

(adjective) extern, uitwendig, van buitenaf

Voorbeeld:

The building's external walls are made of brick.
De externe muren van het gebouw zijn van baksteen.

industrial

/ɪnˈdʌs.tri.əl/

(adjective) industrieel, voor de industrie

Voorbeeld:

The city has a strong industrial base.
De stad heeft een sterke industriële basis.

open-plan

/ˈoʊ.pən.plæn/

(adjective) open, open-plan

Voorbeeld:

The office has an open-plan layout, which encourages collaboration.
Het kantoor heeft een open indeling, wat samenwerking aanmoedigt.

spacious

/ˈspeɪ.ʃəs/

(adjective) ruim, spacieus

Voorbeeld:

The living room was very spacious, perfect for entertaining guests.
De woonkamer was erg ruim, perfect voor het ontvangen van gasten.

construct

/kənˈstrʌkt/

(verb) bouwen, construeren, opbouwen;

(noun) construct, bouwsel

Voorbeeld:

They plan to construct a new bridge over the river.
Ze zijn van plan een nieuwe brug over de rivier te bouwen.

brick

/brɪk/

(noun) baksteen, bouwsteen, speelgoedblok;

(verb) bricken, onbruikbaar maken

Voorbeeld:

The house was built with red bricks.
Het huis is gebouwd met rode bakstenen.

column

/ˈkɑː.ləm/

(noun) kolom, zuil, pilaar

Voorbeeld:

The data is organized into three columns.
De gegevens zijn georganiseerd in drie kolommen.

concrete

/ˈkɑːn.kriːt/

(noun) beton;

(adjective) concreet, tastbaar;

(verb) betonneren

Voorbeeld:

The bridge was built with reinforced concrete.
De brug is gebouwd met gewapend beton.

development

/dɪˈvel.əp.mənt/

(noun) ontwikkeling, gebeurtenis, wijk

Voorbeeld:

The development of new technologies is crucial for economic growth.
De ontwikkeling van nieuwe technologieën is cruciaal voor economische groei.

digger

/ˈdɪɡ.ɚ/

(noun) graver, delver, graafmachine

Voorbeeld:

The gold diggers hoped to strike it rich.
De goudzoekers hoopten rijk te worden.

passage

/ˈpæs.ɪdʒ/

(noun) doorgang, passage, fragment

Voorbeeld:

The secret passage led to a hidden room.
De geheime doorgang leidde naar een verborgen kamer.

exit

/ˈek.sɪt/

(noun) uitgang, uitrit, vertrek;

(verb) verlaten, uitgaan

Voorbeeld:

Please use the nearest exit in case of emergency.
Gebruik alstublieft de dichtstbijzijnde uitgang in geval van nood.

hut

/hʌt/

(noun) hut, barak

Voorbeeld:

The hikers found a small hut to shelter from the storm.
De wandelaars vonden een kleine hut om te schuilen voor de storm.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

rebuild

/ˌriːˈbɪld/

(verb) herbouwen, wederopbouwen, herstellen

Voorbeeld:

They plan to rebuild the old bridge.
Ze zijn van plan de oude brug te herbouwen.

ruin

/ˈruː.ɪn/

(noun) ruïne, ondergang, verwoesting;

(verb) ruïneren, verwoesten, verpesten

Voorbeeld:

The old castle was left in ruin after the war.
Het oude kasteel lag na de oorlog in puin.

curb

/kɝːb/

(noun) beperking, beteugeling, rem;

(verb) beteugelen, beperken, inperken

Voorbeeld:

The government imposed a curb on spending.
De regering legde een beperking op aan de uitgaven.

landfill

/ˈlænd.fɪl/

(noun) stortplaats, vuilnisbelt;

(verb) storten, begraven

Voorbeeld:

The city's waste is transported to a large landfill site.
Het afval van de stad wordt naar een grote stortplaats vervoerd.

sewer

/ˈsuː.ɚ/

(noun) riool, afvoerbuis

Voorbeeld:

The city's old sewer system needs urgent repairs.
Het oude rioolsysteem van de stad heeft dringend reparaties nodig.

landmark

/ˈlænd.mɑːrk/

(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;

(adjective) baanbrekend, historisch

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd oriëntatiepunt in Parijs.

monument

/ˈmɑːn.jə.mənt/

(noun) monument, gedenkteken, blijvend bewijs

Voorbeeld:

The Washington Monument is a famous landmark in the United States.
Het Washington Monument is een beroemd herkenningspunt in de Verenigde Staten.

casino

/kəˈsiː.noʊ/

(noun) casino, speelhal

Voorbeeld:

We spent the evening at the casino, trying our luck at the roulette table.
We brachten de avond door in het casino, waar we ons geluk beproefden aan de roulettetafel.

courthouse

/ˈkɔːrt.haʊs/

(noun) gerechtsgebouw, rechtbank

Voorbeeld:

The trial is scheduled to take place at the courthouse next week.
De rechtszaak staat gepland voor volgende week in het gerechtsgebouw.

disco

/ˈdɪs.koʊ/

(noun) disco, discotheek, discomuziek;

(verb) discoën, dansen in een disco

Voorbeeld:

We went to a disco last night.
We zijn gisteravond naar een disco geweest.

nursing home

/ˈnɜːr.sɪŋ ˌhoʊm/

(noun) verpleeghuis, bejaardentehuis

Voorbeeld:

My grandmother moved into a nursing home last year.
Mijn grootmoeder is vorig jaar naar een verpleeghuis verhuisd.

schoolhouse

/ˈskuːl.haʊs/

(noun) schoolgebouw, schoolhuis

Voorbeeld:

The old one-room schoolhouse still stands on the hill.
Het oude eenkamerige schoolgebouw staat nog steeds op de heuvel.

structure

/ˈstrʌk.tʃɚ/

(noun) structuur, opbouw, bouwwerk;

(verb) structureren, opbouwen

Voorbeeld:

The structure of the human body is incredibly complex.
De structuur van het menselijk lichaam is ongelooflijk complex.

town hall

/ˈtaʊn hɔːl/

(noun) gemeentehuis, stadhuis

Voorbeeld:

The mayor announced the new policy at the town hall meeting.
De burgemeester kondigde het nieuwe beleid aan tijdens de gemeentehuisvergadering.

funeral home

/ˈfjuːnərəl hoʊm/

(noun) uitvaartcentrum, uitvaartonderneming

Voorbeeld:

The family arranged for the viewing at the local funeral home.
De familie regelde de bezichtiging bij het plaatselijke uitvaartcentrum.

graveyard

/ˈɡreɪv.jɑːrd/

(noun) kerkhof, begraafplaats, stortplaats

Voorbeeld:

The old church graveyard was overgrown with ivy.
Het oude kerkelijke kerkhof was overwoekerd met klimop.

tomb

/tuːm/

(noun) graf, tombe;

(verb) begraven, ter aarde bestellen

Voorbeeld:

The ancient pharaoh's tomb was discovered by archaeologists.
Het graf van de oude farao werd ontdekt door archeologen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland