Vocabulaireverzameling B1 - Succes en falen 1 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Succes en falen 1' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) proberen, uitproberen, testen;
(noun) poging, proef
Voorbeeld:
(noun) poging, proef;
(verb) proberen, ondernemen
Voorbeeld:
(noun) kosten, prijs, opoffering;
(verb) kosten, resulteren in verlies
Voorbeeld:
(noun) moeilijkheid, probleem, obstakel
Voorbeeld:
(noun) voordeel, pluspunt;
(verb) bevoordelen, voordeel geven
Voorbeeld:
(noun) nadeel, handicap;
(verb) benadelen, handicappen
Voorbeeld:
(adjective) teleurstellend
Voorbeeld:
(noun) verwachting
Voorbeeld:
(noun) vijand, tegenstander
Voorbeeld:
(verb) falen, mislukken, verzuimen;
(noun) mislukking, falen
Voorbeeld:
(noun) falen, mislukking, nalatigheid
Voorbeeld:
(noun) moeite, problemen, gedoe;
(verb) storen, lastigvallen
Voorbeeld:
(adjective) hard, stevig, moeilijk;
(adverb) hard, intens, moeilijk
Voorbeeld:
(adjective) verdwaald, verloren, kwijt;
(past participle) verloren, kwijtgeraakt
Voorbeeld:
(noun) fout, vergissing;
(verb) verwarren, misverstaan
Voorbeeld:
(verb) missen, vermissen, verlangen naar;
(noun) mevrouw, juffrouw
Voorbeeld:
(verb) overwinnen, overkomen, overmand worden door;
(adjective) overmand, uitgeput
Voorbeeld:
(noun) doel, streven, vastberadenheid;
(verb) van plan zijn, beogen
Voorbeeld:
(verb) bereiken, behalen, volbrengen
Voorbeeld:
(adjective) onsuccesvol, mislukt
Voorbeeld:
(noun) werk, arbeid, taak;
(verb) werken, arbeiden, functioneren
Voorbeeld:
(noun) obstakel, hindernis, barrière
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgaan, verdergaan, gebeuren
Voorbeeld:
(phrasal verb) opgeven, stoppen, stoppen met
Voorbeeld:
(verb) verlaten, achterlaten, opgeven;
(noun) overgave, onbezonnenheid
Voorbeeld:
(noun) gevecht, ruzie, wedstrijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(verb) bereiken, volbrengen
Voorbeeld:
(noun) succes, welslagen, succesnummer
Voorbeeld:
(verb) slagen, succes hebben, opvolgen
Voorbeeld:
(adjective) goedbetaald
Voorbeeld: