Avatar of Vocabulary Set B1 - Landbouw

Vocabulaireverzameling B1 - Landbouw in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Landbouw' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

agriculture

/ˈæɡ.rə.kʌl.tʃɚ/

(noun) landbouw, agrarische sector

Voorbeeld:

Modern agriculture relies heavily on technology.
Moderne landbouw is sterk afhankelijk van technologie.

barn

/bɑːrn/

(noun) schuur, stal

Voorbeeld:

The farmer stored his hay in the barn.
De boer bewaarde zijn hooi in de schuur.

cattle

/ˈkæt̬.əl/

(noun) vee, runderen

Voorbeeld:

The farmer herded his cattle into the barn.
De boer dreef zijn vee de schuur in.

crop

/krɑːp/

(noun) gewas, oogst, kort kapsel;

(verb) snoeien, verbouwen, knippen

Voorbeeld:

Wheat is a major crop in this region.
Tarwe is een belangrijk gewas in deze regio.

farmhouse

/ˈfɑːrm.haʊs/

(noun) boerderij, boerenhuis

Voorbeeld:

They decided to buy an old farmhouse in the countryside.
Ze besloten een oude boerderij op het platteland te kopen.

fish farm

/ˈfɪʃ ˌfɑːrm/

(noun) viskwekerij, visfarm

Voorbeeld:

The local fish farm supplies fresh trout to restaurants.
De plaatselijke viskwekerij levert verse forel aan restaurants.

grain

/ɡreɪn/

(noun) graan, korrel, greintje;

(verb) granuleren, kristalliseren

Voorbeeld:

The farmer harvested a field of golden grain.
De boer oogstte een veld met gouden graan.

greenhouse

/ˈɡriːn.haʊs/

(noun) kas

Voorbeeld:

The gardener spent hours tending to the plants in the greenhouse.
De tuinman bracht uren door met het verzorgen van de planten in de kas.

harvest

/ˈhɑːr.vəst/

(noun) oogst, opbrengst;

(verb) oogsten, binnenhalen, plukken

Voorbeeld:

The harvest was abundant this year due to good weather.
De oogst was overvloedig dit jaar dankzij het goede weer.

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

milk

/mɪlk/

(noun) melk;

(verb) melken, uitmelken, uitbuiten

Voorbeeld:

She poured some milk into her coffee.
Ze schonk wat melk in haar koffie.

organic

/ɔːrˈɡæn.ɪk/

(adjective) biologisch, organisch, natuurlijk

Voorbeeld:

We only buy organic vegetables.
Wij kopen alleen biologische groenten.

pest

/pest/

(noun) plaag, ongedierte, lastpak

Voorbeeld:

The farmer used pesticides to control the pests in his fields.
De boer gebruikte pesticiden om de plagen op zijn velden te bestrijden.

plow

/plaʊ/

(noun) ploeg;

(verb) ploegen, omploegen, zich een weg banen

Voorbeeld:

The farmer used a heavy plow to prepare the field for planting.
De boer gebruikte een zware ploeg om het veld voor te bereiden op het planten.

ranch

/ræntʃ/

(noun) ranch, boerderij, ranchhuis;

(verb) boeren, vee houden

Voorbeeld:

He grew up on a cattle ranch in Texas.
Hij groeide op op een veeboerderij in Texas.

scarecrow

/ˈsker.kroʊ/

(noun) vogelverschrikker, magere persoon, slordig gekleed persoon

Voorbeeld:

The farmer put a scarecrow in the cornfield to protect his harvest.
De boer zette een vogelverschrikker in het maïsveld om zijn oogst te beschermen.

seed

/siːd/

(noun) zaad, pit, kiem;

(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten

Voorbeeld:

Plant the seed in fertile soil.
Plant het zaad in vruchtbare grond.

shepherd

/ˈʃep.ɚd/

(noun) herder, gids, leider;

(verb) leiden, begeleiden

Voorbeeld:

The shepherd led his flock to fresh pastures.
De herder leidde zijn kudde naar verse weiden.

sow

/soʊ/

(verb) zaaien, veroorzaken;

(noun) zeug

Voorbeeld:

Farmers sow seeds in the spring.
Boeren zaaien zaden in de lente.

stable

/ˈsteɪ.bəl/

(adjective) stabiel, vast, stevig;

(noun) stal, paardenstal;

(verb) stallen, onderbrengen

Voorbeeld:

The country's economy is now stable.
De economie van het land is nu stabiel.

tractor

/ˈtræk.tɚ/

(noun) tractor

Voorbeeld:

The farmer drove his tractor across the field.
De boer reed met zijn tractor over het veld.

vineyard

/ˈvɪn.jɚd/

(noun) wijngaard

Voorbeeld:

The rolling hills were covered with lush vineyards.
De glooiende heuvels waren bedekt met weelderige wijngaarden.

windmill

/ˈwɪnd.mɪl/

(noun) windmolen;

(verb) rondzwaaien, windmolenbeweging maken

Voorbeeld:

The old windmill stood majestically on the hill.
De oude windmolen stond majestueus op de heuvel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland