Avatar of Vocabulary Set A2 - Eten en Restaurant 1

Vocabulaireverzameling A2 - Eten en Restaurant 1 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Eten en Restaurant 1' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

menu

/ˈmen.juː/

(noun) menukaart, menu

Voorbeeld:

Can I see the menu, please?
Mag ik de menukaart zien, alstublieft?

order

/ˈɔːr.dɚ/

(noun) bevel, opdracht, volgorde;

(verb) bevelen, opdragen, bestellen

Voorbeeld:

The general gave the order to advance.
De generaal gaf het bevel om op te rukken.

pasta

/ˈpɑː.stə/

(noun) pasta, deegwaren

Voorbeeld:

I'm making spaghetti pasta for dinner tonight.
Ik maak vanavond spaghetti pasta voor het avondeten.

fast food

/ˌfæst ˈfuːd/

(noun) fastfood, snackbarmaaltijd

Voorbeeld:

We often eat fast food when we're in a hurry.
We eten vaak fastfood als we haast hebben.

hamburger

/ˈhæmˌbɝː.ɡɚ/

(noun) hamburger

Voorbeeld:

I ordered a hamburger with cheese and fries.
Ik bestelde een hamburger met kaas en friet.

hot dog

/ˈhɑːt dɔːɡ/

(noun) hotdog, knakworstbroodje, showman;

(exclamation) geweldig, wauw

Voorbeeld:

I'll have a hot dog with ketchup and mustard.
Ik neem een hotdog met ketchup en mosterd.

sausage

/ˈsɑː.sɪdʒ/

(noun) worst

Voorbeeld:

We had eggs and sausage for breakfast.
We hadden eieren en worst als ontbijt.

pea

/piː/

(noun) erwt, erwten

Voorbeeld:

She shelled the fresh peas for dinner.
Ze dopte de verse erwten voor het avondeten.

bean

/biːn/

(noun) boon, peulvrucht, zaad

Voorbeeld:

She added some green beans to the salad.
Ze voegde wat sperziebonen toe aan de salade.

mushroom

/ˈmʌʃ.ruːm/

(noun) paddenstoel, zwam;

(verb) snel groeien, exploderen

Voorbeeld:

She picked wild mushrooms in the forest.
Ze plukte wilde paddenstoelen in het bos.

noodle

/ˈnuː.dəl/

(noun) noedel, mie, hoofd;

(verb) tokkelen, improviseren, handvissen

Voorbeeld:

She added some fresh noodles to the soup.
Ze voegde wat verse noedels toe aan de soep.

dessert

/dɪˈzɝːt/

(noun) nagerecht, dessert

Voorbeeld:

What's for dessert tonight?
Wat is er vanavond als nagerecht?

hot chocolate

/ˌhɑːt ˈtʃɑːk.lət/

(noun) warme chocolademelk, chocomel

Voorbeeld:

I love to drink hot chocolate on a cold winter day.
Ik drink graag warme chocolademelk op een koude winterdag.

pie

/paɪ/

(noun) taart, pastei, ekster

Voorbeeld:

My grandmother makes the best apple pie.
Mijn grootmoeder maakt de beste appeltaart.

sauce

/sɑːs/

(noun) saus, brutaliteit, onbeschaamdheid;

(verb) saucen, saus toevoegen, brutaliseren

Voorbeeld:

This pasta needs more sauce.
Deze pasta heeft meer saus nodig.

toast

/toʊst/

(noun) toast, geroosterd brood, toost;

(verb) roosteren, proosten, een toost uitbrengen

Voorbeeld:

I had butter and jam on my toast for breakfast.
Ik had boter en jam op mijn toast voor het ontbijt.

delicious

/dɪˈlɪʃ.əs/

(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam

Voorbeeld:

The cake was absolutely delicious.
De cake was absoluut heerlijk.

flavor

/ˈfleɪ.vɚ/

(noun) smaak, aroma, sfeer;

(verb) op smaak brengen, aromatiseren

Voorbeeld:

This ice cream has a rich vanilla flavor.
Dit ijs heeft een rijke vanillesmaak.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

salty

/ˈsɑːl.t̬i/

(adjective) zout, geïrriteerd, verbitterd

Voorbeeld:

The ocean water is very salty.
Het oceaanwater is erg zout.

sweet

/swiːt/

(adjective) zoet, lief, aangenaam;

(noun) snoepje, lekkernij

Voorbeeld:

The cake was perfectly sweet.
De cake was perfect zoet.

junk food

/ˈdʒʌŋk fuːd/

(noun) junkfood, ongezond eten

Voorbeeld:

I try to avoid eating too much junk food.
Ik probeer niet te veel junkfood te eten.

potato chip

/pəˈteɪ.t̬oʊ ˌtʃɪp/

(noun) aardappelchips, chips

Voorbeeld:

He opened a bag of potato chips and started munching.
Hij opende een zak aardappelchips en begon te knabbelen.

French fries

/ˌfrentʃ ˈfraɪz/

(plural noun) friet, patat

Voorbeeld:

I'd like a burger and a side of French fries, please.
Ik wil graag een burger en een portie friet, alstublieft.

snack

/snæk/

(noun) snack, tussendoortje;

(verb) snacken, tussendoor eten

Voorbeeld:

I usually have a fruit for my afternoon snack.
Ik eet meestal fruit als mijn middagsnack.

serve

/sɝːv/

(verb) dienen, bedienen, serveren;

(noun) dienst, diensttijd, service

Voorbeeld:

He has served the company for 20 years.
Hij heeft het bedrijf 20 jaar gediend.

taste

/teɪst/

(noun) smaak, voorkeur;

(verb) proeven, smaken

Voorbeeld:

The soup has a delicious taste.
De soep heeft een heerlijke smaak.

sour

/saʊr/

(adjective) zuur, onaangenaam;

(verb) verzuren, zuur worden

Voorbeeld:

The lemonade was too sour for my liking.
De limonade was te zuur naar mijn smaak.

fry

/fraɪ/

(verb) bakken, frituren, smelten;

(noun) friet, gebakken gerecht, vislarven

Voorbeeld:

She decided to fry the eggs for breakfast.
Ze besloot de eieren te bakken voor het ontbijt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland