Avatar of Vocabulary Set A2 - Stad en platteland

Vocabulaireverzameling A2 - Stad en platteland in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Stad en platteland' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

countryside

/ˈkʌn.tri.saɪd/

(noun) platteland

Voorbeeld:

We spent our vacation exploring the beautiful countryside.
We brachten onze vakantie door met het verkennen van het prachtige platteland.

village

/ˈvɪl.ɪdʒ/

(noun) dorp

Voorbeeld:

She grew up in a small, quiet village.
Ze groeide op in een klein, rustig dorp.

country

/ˈkʌn.tri/

(noun) land, staat, platteland

Voorbeeld:

France is a beautiful country.
Frankrijk is een prachtig land.

rural

/ˈrʊr.əl/

(adjective) landelijk, ruraal

Voorbeeld:

She grew up in a small rural village.
Ze groeide op in een klein landelijk dorp.

district

/ˈdɪs.trɪkt/

(noun) district, wijk, bestuurlijk district

Voorbeeld:

The business district is bustling with activity.
Het zakelijke district bruist van activiteit.

urban

/ˈɝː.bən/

(adjective) stedelijk, urbaan

Voorbeeld:

Urban areas often have higher population densities.
Stedelijke gebieden hebben vaak hogere bevolkingsdichtheden.

downtown

/ˌdaʊnˈtaʊn/

(adverb) naar het centrum, in het centrum;

(noun) centrum, binnenstad;

(adjective) centraal, binnenstedelijk

Voorbeeld:

Let's go downtown for dinner tonight.
Laten we vanavond naar het centrum gaan voor het avondeten.

amusement park

/əˈmjuːzmənt pɑːrk/

(noun) pretpark, attractiepark

Voorbeeld:

We spent the whole day at the amusement park, riding roller coasters and playing games.
We brachten de hele dag door in het pretpark, rijdend in achtbanen en spelletjes spelend.

gas station

/ˈɡæs ˌsteɪ.ʃən/

(noun) tankstation, benzinestation

Voorbeeld:

We need to stop at the next gas station to fill up the tank.
We moeten stoppen bij het volgende tankstation om de tank vol te gooien.

police station

/pəˈliːs ˌsteɪ.ʃən/

(noun) politiebureau

Voorbeeld:

I need to report a theft at the police station.
Ik moet een diefstal melden bij het politiebureau.

prison

/ˈprɪz.ən/

(noun) gevangenis, bajes;

(verb) gevangen zetten, opsluiten

Voorbeeld:

He spent ten years in prison for robbery.
Hij bracht tien jaar in de gevangenis door voor diefstal.

city hall

/ˈsɪt.i ˌhɔːl/

(noun) stadhuis

Voorbeeld:

We went to city hall to get a marriage license.
We gingen naar het stadhuis om een huwelijksvergunning te krijgen.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

library

/ˈlaɪ.brer.i/

(noun) bibliotheek, boekenverzameling, collectie

Voorbeeld:

I'm going to the library to borrow some books.
Ik ga naar de bibliotheek om boeken te lenen.

church

/tʃɝːtʃ/

(noun) kerk, Kerk, christendom

Voorbeeld:

They go to church every Sunday.
Ze gaan elke zondag naar de kerk.

mosque

/mɑːsk/

(noun) moskee

Voorbeeld:

The call to prayer echoed from the nearby mosque.
De oproep tot gebed galmde vanuit de nabijgelegen moskee.

temple

/ˈtem.pəl/

(noun) tempel, slaap

Voorbeeld:

The ancient temple was dedicated to the sun god.
De oude tempel was gewijd aan de zonnegod.

avenue

/ˈæv.ə.nuː/

(noun) laan, avenue, weg

Voorbeeld:

They live on a quiet tree-lined avenue.
Ze wonen aan een rustige, met bomen omzoomde laan.

alley

/ˈæl.i/

(noun) steeg, gang, bowlingbaan

Voorbeeld:

The cat darted down the dark alley.
De kat schoot de donkere steeg in.

boulevard

/ˈbʊl.ə.vɑːrd/

(noun) boulevard, laan

Voorbeeld:

We drove down the grand boulevard lined with oak trees.
We reden over de grote boulevard omzoomd met eikenbomen.

traffic

/ˈtræf.ɪk/

(noun) verkeer, handel, smokkel;

(verb) verhandelen, smokkelen

Voorbeeld:

The morning traffic was heavy on the highway.
Het ochtendverkeer was druk op de snelweg.

traffic jam

/ˈtræf.ɪk ˌdʒæm/

(noun) file, verkeersopstopping

Voorbeeld:

I was stuck in a huge traffic jam for an hour.
Ik zat een uur vast in een enorme file.

road

/roʊd/

(noun) weg, straat, koers

Voorbeeld:

The new road connects the two cities.
De nieuwe weg verbindt de twee steden.

highway

/ˈhaɪ.weɪ/

(noun) snelweg, autoweg

Voorbeeld:

The new highway will reduce travel time between the two cities.
De nieuwe snelweg zal de reistijd tussen de twee steden verkorten.

expressway

/ɪkˈspres.weɪ/

(noun) snelweg, autoweg

Voorbeeld:

The new expressway significantly reduced travel time between the cities.
De nieuwe snelweg verkortte de reistijd tussen de steden aanzienlijk.

bridge

/brɪdʒ/

(noun) brug, neusbrug, verbinding;

(verb) overbruggen, verkleinen

Voorbeeld:

The old stone bridge crosses the river.
De oude stenen brug overspant de rivier.

path

/pæθ/

(noun) pad, weg, koers;

(verb) een pad banen, een weg creëren

Voorbeeld:

We followed the narrow path through the woods.
We volgden het smalle pad door het bos.

square

/skwer/

(noun) vierkant, plein, kwadraat;

(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;

(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;

(adverb) recht, precies

Voorbeeld:

Draw a perfect square on the paper.
Teken een perfect vierkant op het papier.

underpass

/ˈʌn.dɚ.pæs/

(noun) onderdoorgang, viaduct

Voorbeeld:

The cyclist used the underpass to cross the busy highway safely.
De fietser gebruikte de onderdoorgang om veilig de drukke snelweg over te steken.

noise

/nɔɪz/

(noun) geluid, lawaai;

(verb) lawaai maken, geluid maken

Voorbeeld:

The sudden noise startled the cat.
Het plotselinge geluid deed de kat schrikken.

pollution

/pəˈluː.ʃən/

(noun) vervuiling, verontreiniging

Voorbeeld:

Air pollution is a major concern in big cities.
Luchtvervuiling is een grote zorg in grote steden.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

across

/əˈkrɑːs/

(preposition) over, dwars door, aan de overkant van;

(adverb) over, dwars, duidelijk

Voorbeeld:

She walked across the street.
Ze liep over de straat.

move

/muːv/

(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;

(noun) beweging, zet, verhuizing

Voorbeeld:

The car began to move slowly down the street.
De auto begon langzaam de straat af te bewegen.

noisy

/ˈnɔɪ.zi/

(adjective) lawaaierig, rumoerig

Voorbeeld:

The children were very noisy during the party.
De kinderen waren erg lawaaierig tijdens het feest.

local

/ˈloʊ.kəl/

(adjective) lokaal, plaatselijk;

(noun) lokale bewoner, plaatselijke, stoptrein

Voorbeeld:

The local bakery makes the best bread.
De lokale bakkerij maakt het beste brood.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland