Vocabulaireverzameling A2 - Stad en platteland in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Stad en platteland' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) platteland
Voorbeeld:
(noun) dorp
Voorbeeld:
(noun) land, staat, platteland
Voorbeeld:
(adjective) landelijk, ruraal
Voorbeeld:
(noun) district, wijk, bestuurlijk district
Voorbeeld:
(adjective) stedelijk, urbaan
Voorbeeld:
(adverb) naar het centrum, in het centrum;
(noun) centrum, binnenstad;
(adjective) centraal, binnenstedelijk
Voorbeeld:
(noun) pretpark, attractiepark
Voorbeeld:
(noun) tankstation, benzinestation
Voorbeeld:
(noun) politiebureau
Voorbeeld:
(noun) gevangenis, bajes;
(verb) gevangen zetten, opsluiten
Voorbeeld:
(noun) stadhuis
Voorbeeld:
(noun) markt;
(verb) op de markt brengen, vermarkten
Voorbeeld:
(noun) bibliotheek, boekenverzameling, collectie
Voorbeeld:
(noun) kerk, Kerk, christendom
Voorbeeld:
(noun) moskee
Voorbeeld:
(noun) tempel, slaap
Voorbeeld:
(noun) laan, avenue, weg
Voorbeeld:
(noun) steeg, gang, bowlingbaan
Voorbeeld:
(noun) boulevard, laan
Voorbeeld:
(noun) verkeer, handel, smokkel;
(verb) verhandelen, smokkelen
Voorbeeld:
(noun) file, verkeersopstopping
Voorbeeld:
(noun) weg, straat, koers
Voorbeeld:
(noun) snelweg, autoweg
Voorbeeld:
(noun) snelweg, autoweg
Voorbeeld:
(noun) brug, neusbrug, verbinding;
(verb) overbruggen, verkleinen
Voorbeeld:
(noun) pad, weg, koers;
(verb) een pad banen, een weg creëren
Voorbeeld:
(noun) vierkant, plein, kwadraat;
(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;
(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;
(adverb) recht, precies
Voorbeeld:
(noun) onderdoorgang, viaduct
Voorbeeld:
(noun) geluid, lawaai;
(verb) lawaai maken, geluid maken
Voorbeeld:
(noun) vervuiling, verontreiniging
Voorbeeld:
(noun) kruis, kruising, hybride;
(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;
(adjective) boos, geïrriteerd
Voorbeeld:
(preposition) over, dwars door, aan de overkant van;
(adverb) over, dwars, duidelijk
Voorbeeld:
(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;
(noun) beweging, zet, verhuizing
Voorbeeld:
(adjective) lawaaierig, rumoerig
Voorbeeld:
(adjective) lokaal, plaatselijk;
(noun) lokale bewoner, plaatselijke, stoptrein
Voorbeeld: