Avatar of Vocabulary Set A1 - Transport

Vocabulaireverzameling A1 - Transport in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Transport' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

car

/kɑːr/

(noun) auto, wagon, rijtuig

Voorbeeld:

He bought a new car last week.
Hij kocht vorige week een nieuwe auto.

motorcycle

/ˈmoʊ.t̬ɚˌsaɪ.kəl/

(noun) motorfiets, motor;

(verb) motorrijden

Voorbeeld:

He rode his motorcycle down the open road.
Hij reed met zijn motorfiets over de open weg.

bus

/bʌs/

(noun) bus;

(verb) met de bus vervoeren

Voorbeeld:

I take the bus to work every day.
Ik neem elke dag de bus naar mijn werk.

truck

/trʌk/

(noun) vrachtwagen, truck, kar;

(verb) vervoeren met vrachtwagen, trucken

Voorbeeld:

The delivery truck arrived late.
De bezorgwagen kwam te laat.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

taxi

/ˈtæk.si/

(noun) taxi;

(verb) taxien, rijden met een taxi

Voorbeeld:

Let's take a taxi to the airport.
Laten we een taxi nemen naar de luchthaven.

ambulance

/ˈæm.bjə.ləns/

(noun) ambulance

Voorbeeld:

The ambulance arrived quickly at the scene of the accident.
De ambulance arriveerde snel op de plaats van het ongeluk.

fire truck

/ˈfaɪər trʌk/

(noun) brandweerwagen, brandweerauto

Voorbeeld:

The fire truck arrived quickly at the scene of the accident.
De brandweerwagen arriveerde snel op de plaats van het ongeluk.

subway

/ˈsʌb.weɪ/

(noun) metro, ondergrondse, voetgangerstunnel

Voorbeeld:

I take the subway to work every day.
Ik neem elke dag de metro naar mijn werk.

airplane

/ˈer.pleɪn/

(noun) vliegtuig

Voorbeeld:

The airplane took off smoothly from the runway.
Het vliegtuig steeg soepel op van de landingsbaan.

helicopter

/ˈhel.əˌkɑːp.tɚ/

(noun) helikopter;

(verb) helikopteren, met de helikopter vliegen

Voorbeeld:

The helicopter landed on the helipad.
De helikopter landde op de helikopterplatform.

ferry

/ˈfer.i/

(noun) veerboot, pont;

(verb) overzetten, vervoeren

Voorbeeld:

We took the ferry across the lake.
We namen de veerboot over het meer.

ship

/ʃɪp/

(noun) schip, vaartuig;

(verb) verzenden, vervoeren

Voorbeeld:

The cargo ship sailed across the ocean.
Het vrachtschip zeilde over de oceaan.

boat

/boʊt/

(noun) boot, vaartuig;

(verb) varen, bootje varen

Voorbeeld:

We took a small boat out on the lake.
We namen een kleine boot mee het meer op.

ticket

/ˈtɪk.ɪt/

(noun) kaartje, ticket, boete;

(verb) bekeuren, een boete geven

Voorbeeld:

I bought a ticket for the concert.
Ik kocht een kaartje voor het concert.

stop

/stɑːp/

(noun) stop, einde, halte;

(verb) stoppen, beëindigen, ophouden

Voorbeeld:

The car came to a sudden stop.
De auto kwam plotseling tot stilstand.

bus stop

/ˈbʌs stɑːp/

(noun) bushalte

Voorbeeld:

I'll meet you at the bus stop.
Ik ontmoet je bij de bushalte.

station

/ˈsteɪ.ʃən/

(noun) station, halte, post;

(verb) stationeren, plaatsen

Voorbeeld:

I'll meet you at the train station.
Ik ontmoet je op het treinstation.

subway station

/ˈsʌb.weɪ ˌsteɪ.ʃən/

(noun) metrostation, ondergronds station

Voorbeeld:

We met at the subway station entrance.
We ontmoetten elkaar bij de ingang van het metrostation.

airport

/ˈer.pɔːrt/

(noun) luchthaven, vliegveld

Voorbeeld:

We arrived at the airport two hours before our flight.
We kwamen twee uur voor onze vlucht aan op de luchthaven.

train station

/ˈtreɪn ˌsteɪ.ʃən/

(noun) treinstation, station

Voorbeeld:

We met at the train station before our trip.
We ontmoetten elkaar op het treinstation voor onze reis.

taxi stand

/ˈtæk.si ˌstænd/

(noun) taxistandplaats, taxistand

Voorbeeld:

We found a taxi stand right outside the airport.
We vonden een taxistandplaats vlak buiten de luchthaven.

driver's license

/ˈdraɪ.vərz ˌlaɪ.səns/

(noun) rijbewijs

Voorbeeld:

You need a valid driver's license to rent a car.
Je hebt een geldig rijbewijs nodig om een auto te huren.

gas

/ɡæs/

(noun) gas, benzine, brandstof;

(verb) gas geven, tanken

Voorbeeld:

Natural gas is used for heating homes.
Aardgas wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen.

accident

/ˈæk.sə.dənt/

(noun) ongeluk, ongeval, toeval

Voorbeeld:

He was involved in a car accident.
Hij was betrokken bij een auto-ongeluk.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland