Avatar of Vocabulary Set A1 - Huis en Appartement

Vocabulaireverzameling A1 - Huis en Appartement in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Huis en Appartement' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

building

/ˈbɪl.dɪŋ/

(noun) gebouw, bouw, constructie

Voorbeeld:

The new office building is very tall.
Het nieuwe kantoorgebouw is erg hoog.

house

/haʊs/

(noun) huis, gebouw;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

They bought a new house in the suburbs.
Ze kochten een nieuw huis in de buitenwijken.

home

/hoʊm/

(noun) thuis, huis, thuisland;

(adverb) thuis, naar huis;

(adjective) thuis, huiselijk;

(verb) terugkeren, richten

Voorbeeld:

I'm going home for the holidays.
Ik ga naar huis voor de feestdagen.

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

first floor

/ˌfɜːrst ˈflɔːr/

(noun) eerste verdieping

Voorbeeld:

The office is on the first floor.
Het kantoor bevindt zich op de eerste verdieping.

ground floor

/ˈɡraʊnd flɔːr/

(noun) begane grond

Voorbeeld:

The reception area is on the ground floor.
De receptie bevindt zich op de begane grond.

door

/dɔːr/

(noun) deur, huis, gebouw

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Sluit alstublieft de deur als u weggaat.

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

stairway

/ˈster.weɪ/

(noun) trap, trappenhuis

Voorbeeld:

The old house had a grand wooden stairway leading to the second floor.
Het oude huis had een grote houten trap die naar de tweede verdieping leidde.

room

/ruːm/

(noun) ruimte, plaats, kamer;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

Is there enough room for everyone?
Is er genoeg ruimte voor iedereen?

roof

/ruːf/

(noun) dak;

(verb) bedekken met een dak, daken

Voorbeeld:

The heavy snow caused the roof to collapse.
De zware sneeuwval zorgde ervoor dat het dak instortte.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

living room

/ˈlɪv.ɪŋ ˌruːm/

(noun) woonkamer, zitkamer

Voorbeeld:

We spent the evening relaxing in the living room.
We brachten de avond ontspannend door in de woonkamer.

dining room

/ˈdaɪ.nɪŋ ˌruːm/

(noun) eetkamer

Voorbeeld:

We usually eat dinner in the dining room.
We eten meestal avondeten in de eetkamer.

kitchen

/ˈkɪtʃ.ən/

(noun) keuken

Voorbeeld:

She spent the morning cleaning the kitchen.
Ze bracht de ochtend door met het schoonmaken van de keuken.

bedroom

/ˈbed.ruːm/

(noun) slaapkamer

Voorbeeld:

My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.

bathroom

/ˈbæθ.ruːm/

(noun) badkamer, toilet

Voorbeeld:

I need to use the bathroom.
Ik moet naar de badkamer.

garden

/ˈɡɑːr.dən/

(noun) tuin;

(verb) tuinieren, beplanten

Voorbeeld:

She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

balcony

/ˈbæl.kə.ni/

(noun) balkon, galerij

Voorbeeld:

She stepped out onto the balcony to enjoy the view.
Ze stapte het balkon op om van het uitzicht te genieten.

upstairs

/ʌpˈsterz/

(adverb) boven, naar boven;

(adjective) bovenste, bovenverdieping;

(noun) bovenverdieping

Voorbeeld:

She went upstairs to get a book.
Ze ging naar boven om een boek te halen.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

hallway

/ˈhɑːl.weɪ/

(noun) gang, hal

Voorbeeld:

She walked down the hallway to her office.
Ze liep door de gang naar haar kantoor.

closet

/ˈklɑː.zət/

(noun) kast, opbergkast;

(adjective) verborgen, geheim

Voorbeeld:

She hung her dresses in the closet.
Ze hing haar jurken in de kast.

elevator

/ˈel.ə.veɪ.t̬ɚ/

(noun) lift

Voorbeeld:

Take the elevator to the tenth floor.
Neem de lift naar de tiende verdieping.

part

/pɑːrt/

(noun) deel, stuk, rol;

(verb) scheiden, uiteengaan;

(adverb) deels, gedeeltelijk

Voorbeeld:

I only read the first part of the book.
Ik heb alleen het eerste deel van het boek gelezen.

yard

/jɑːrd/

(noun) yard, tuin, erf

Voorbeeld:

The fabric is three yards long.
De stof is drie yard lang.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland