Avatar of Vocabulary Set Pijn en letsel beschrijven

Vocabulaireverzameling Pijn en letsel beschrijven in Gezondheid: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Pijn en letsel beschrijven' in 'Gezondheid' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

achy

/ˈeɪ.ki/

(adjective) pijnlijk, zeer

Voorbeeld:

After the long hike, my legs felt really achy.
Na de lange wandeling voelden mijn benen echt pijnlijk aan.

acute

/əˈkjuːt/

(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig

Voorbeeld:

She has an acute sense of smell.
Ze heeft een acuut reukvermogen.

agonizing

/ˈæɡ.ə.naɪ.zɪŋ/

(adjective) pijnlijk, kwellend, uitputtend

Voorbeeld:

The wait for the test results was agonizing.
Het wachten op de testresultaten was pijnlijk.

crippling

/ˈkrɪp.əl.ɪŋ/

(adjective) verlammend, kreupelmakend, verwoestend

Voorbeeld:

He suffered a crippling back injury that ended his career.
Hij liep een verlammende rugblessure op die zijn carrière beëindigde.

excruciating

/ɪkˈskruː.ʃi.eɪ.t̬ɪŋ/

(adjective) ondraaglijk, verscheurend, hevig

Voorbeeld:

The pain in his leg was excruciating.
De pijn in zijn been was ondraaglijk.

inflamed

/ɪnˈfleɪmd/

(adjective) ontstoken, gezwollen, ontsteken

Voorbeeld:

His throat was red and inflamed.
Zijn keel was rood en ontstoken.

itchy

/ˈɪtʃ.i/

(adjective) jeukend, jeukerig, reislustig

Voorbeeld:

My skin feels itchy after being in the sun.
Mijn huid voelt jeukerig aan na in de zon te zijn geweest.

painful

/ˈpeɪn.fəl/

(adjective) pijnlijk, kwetsend

Voorbeeld:

The injection was quite painful.
De injectie was behoorlijk pijnlijk.

painfully

/ˈpeɪn.fəl.i/

(adverb) pijnlijk, extreem

Voorbeeld:

The wound was painfully throbbing.
De wond klopte pijnlijk.

raging

/ˈreɪ.dʒɪŋ/

(adjective) razend, woedend, hevig

Voorbeeld:

He was raging with fury after the defeat.
Hij was razend van woede na de nederlaag.

severe

/səˈvɪr/

(adjective) ernstig, hevig, streng

Voorbeeld:

The patient is experiencing severe pain.
De patiënt ervaart ernstige pijn.

sharp

/ʃɑːrp/

(adjective) scherp, intens, intelligent;

(adverb) stipt, scherp;

(noun) kruis

Voorbeeld:

Be careful, that knife is very sharp.
Wees voorzichtig, dat mes is erg scherp.

sore

/sɔːr/

(adjective) pijnlijk, gevoelig, geërgerd;

(noun) zweer, wond, koortslip

Voorbeeld:

My muscles are sore after the workout.
Mijn spieren zijn pijnlijk na de training.

agoraphobic

/ˌæɡ.ə.rəˈfoʊ.bɪk/

(noun) agorafobe, agorafobisch persoon;

(adjective) agorafobisch

Voorbeeld:

The agoraphobic found it difficult to leave their home.
De agorafobe persoon vond het moeilijk om hun huis te verlaten.

anaemic

/əˈniː.mɪk/

(adjective) anemisch, bloedarmoede hebbend, futloos

Voorbeeld:

The patient was diagnosed with anaemic symptoms.
De patiënt werd gediagnosticeerd met anemische symptomen.

arthritic

/ɑːrˈθrɪt̬.ɪk/

(adjective) artritisch, met artritis

Voorbeeld:

His arthritic hands made it difficult to grip the pen.
Zijn artritische handen maakten het moeilijk om de pen vast te houden.

brain-dead

/ˈbreɪn.ded/

(adjective) hersendood, dom

Voorbeeld:

The patient was declared brain-dead after the accident.
De patiënt werd na het ongeluk hersendood verklaard.

concussed

/kənˈkʌst/

(adjective) hersenschudding, geconcusseerd;

(verb) hersenschudding veroorzaken, concussie toebrengen

Voorbeeld:

The football player was concussed after a hard tackle.
De voetballer was hersenschudding na een harde tackle.

dehydrated

/ˌdiː.haɪˈdreɪ.t̬ɪd/

(adjective) uitgedroogd, gedehydreerd, gedroogd

Voorbeeld:

After the long hike, he felt completely dehydrated.
Na de lange wandeling voelde hij zich volledig uitgedroogd.

diabetic

/ˌdaɪ.əˈbet̬.ɪk/

(noun) diabeet, suikerpatiënt;

(adjective) diabetisch

Voorbeeld:

My grandmother is a diabetic and needs to monitor her blood sugar.
Mijn grootmoeder is een diabeet en moet haar bloedsuiker controleren.

dyslexic

/dɪˈslek.sɪk/

(adjective) dyslectisch;

(noun) dyslecticus

Voorbeeld:

The school provides special support for dyslexic students.
De school biedt speciale ondersteuning voor dyslectische studenten.

epileptic

/ˌep.əˈlep.tɪk/

(noun) epilepticus, epileptici;

(adjective) epileptisch

Voorbeeld:

The doctor specializes in treating epileptics.
De dokter is gespecialiseerd in het behandelen van epileptici.

frostbitten

/ˈfrɑːstˌbɪt̬.ən/

(adjective) bevroren, door vorst aangetast

Voorbeeld:

His fingers were numb and frostbitten after hours in the snow.
Zijn vingers waren gevoelloos en bevroren na uren in de sneeuw.

incontinent

/ɪnˈkɑːn.tə.nənt/

(adjective) incontinent, ongecontroleerd, onbeheerst

Voorbeeld:

The elderly patient was incontinent and required special care.
De oudere patiënt was incontinent en had speciale zorg nodig.

malnourished

/ˌmælˈnɝː.ɪʃt/

(adjective) ondervoed

Voorbeeld:

Many children in the war-torn region are severely malnourished.
Veel kinderen in de door oorlog verscheurde regio zijn ernstig ondervoed.

rheumatic

/ruːˈmæt̬.ik/

(adjective) reumatisch

Voorbeeld:

He suffered from rheumatic pains in his joints.
Hij leed aan reumatische pijnen in zijn gewrichten.

sclerotic

/skləˈrɑː.t̬ɪk/

(adjective) sclerotisch, rigide, star

Voorbeeld:

The company's sclerotic management was unable to respond to market changes.
Het sclerotische management van het bedrijf kon niet reageren op marktveranderingen.

ulcerated

/ˈʌl.sɚ.eɪ.t̬ɪd/

(adjective) geülcereerd, zweervormig

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's ulcerated skin.
De dokter onderzocht de geülcereerde huid van de patiënt.

vertiginous

/vɝːˈtɪdʒ.ə.nəs/

(adjective) duizelingwekkend, vertigineus, duizelig

Voorbeeld:

The skyscraper offered a vertiginous view of the city below.
De wolkenkrabber bood een duizelingwekkend uitzicht op de stad beneden.

banged up

/bæŋd ʌp/

(adjective) gehavend, beschadigd, geblesseerd

Voorbeeld:

After the accident, his car was pretty banged up.
Na het ongeluk was zijn auto behoorlijk beschadigd.

battered

/ˈbæt̬.ɚd/

(adjective) gefrituurd, in beslag, gehavend;

(past participle) geslagen, getroffen

Voorbeeld:

We ordered fish and battered chips.
We bestelden vis en gefrituurde friet.

broken

/ˈbroʊ.kən/

(adjective) gebroken, kapot, geschonden;

(past participle) gebroken, verbroken

Voorbeeld:

The vase fell and was completely broken.
De vaas viel en was volledig gebroken.

burnt

/bɝːnt/

(adjective) verbrand, aangebrand;

(past participle) verbrand, afgebrand

Voorbeeld:

The toast was completely burnt.
De toast was helemaal verbrand.

bruising

/ˈbruː.zɪŋ/

(noun) kneuzing, blauwe plek;

(adjective) kneuzend, uitputtend

Voorbeeld:

He had a large bruising on his arm after the fall.
Hij had een grote kneuzing op zijn arm na de val.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland