Vocabulaireverzameling Pijn en letsel beschrijven in Gezondheid: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Pijn en letsel beschrijven' in 'Gezondheid' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) pijnlijk, zeer
Voorbeeld:
(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, kwellend, uitputtend
Voorbeeld:
(adjective) verlammend, kreupelmakend, verwoestend
Voorbeeld:
(adjective) ondraaglijk, verscheurend, hevig
Voorbeeld:
(adjective) ontstoken, gezwollen, ontsteken
Voorbeeld:
(adjective) jeukend, jeukerig, reislustig
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, kwetsend
Voorbeeld:
(adverb) pijnlijk, extreem
Voorbeeld:
(adjective) razend, woedend, hevig
Voorbeeld:
(adjective) ernstig, hevig, streng
Voorbeeld:
(adjective) scherp, intens, intelligent;
(adverb) stipt, scherp;
(noun) kruis
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, gevoelig, geërgerd;
(noun) zweer, wond, koortslip
Voorbeeld:
(noun) agorafobe, agorafobisch persoon;
(adjective) agorafobisch
Voorbeeld:
(adjective) anemisch, bloedarmoede hebbend, futloos
Voorbeeld:
(adjective) artritisch, met artritis
Voorbeeld:
(adjective) hersendood, dom
Voorbeeld:
(adjective) hersenschudding, geconcusseerd;
(verb) hersenschudding veroorzaken, concussie toebrengen
Voorbeeld:
(adjective) uitgedroogd, gedehydreerd, gedroogd
Voorbeeld:
(noun) diabeet, suikerpatiënt;
(adjective) diabetisch
Voorbeeld:
(adjective) dyslectisch;
(noun) dyslecticus
Voorbeeld:
(noun) epilepticus, epileptici;
(adjective) epileptisch
Voorbeeld:
(adjective) bevroren, door vorst aangetast
Voorbeeld:
(adjective) incontinent, ongecontroleerd, onbeheerst
Voorbeeld:
(adjective) ondervoed
Voorbeeld:
(adjective) reumatisch
Voorbeeld:
(adjective) sclerotisch, rigide, star
Voorbeeld:
(adjective) geülcereerd, zweervormig
Voorbeeld:
(adjective) duizelingwekkend, vertigineus, duizelig
Voorbeeld:
(adjective) gehavend, beschadigd, geblesseerd
Voorbeeld:
(adjective) gefrituurd, in beslag, gehavend;
(past participle) geslagen, getroffen
Voorbeeld:
(adjective) gebroken, kapot, geschonden;
(past participle) gebroken, verbroken
Voorbeeld:
(adjective) verbrand, aangebrand;
(past participle) verbrand, afgebrand
Voorbeeld:
(noun) kneuzing, blauwe plek;
(adjective) kneuzend, uitputtend
Voorbeeld: