Avatar of Vocabulary Set Materialen en Patronen

Vocabulaireverzameling Materialen en Patronen in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Materialen en Patronen' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

lace

/leɪs/

(noun) kant, veter, koord;

(verb) veteren, rijgen, aanlengen

Voorbeeld:

The wedding dress was adorned with intricate lace.
De trouwjurk was versierd met ingewikkeld kant.

linen

/ˈlɪn.ɪn/

(noun) linnen, beddengoed

Voorbeeld:

The tablecloth was made of fine linen.
Het tafelkleed was gemaakt van fijn linnen.

mohair

/ˈmoʊ.her/

(noun) mohair

Voorbeeld:

The soft sweater was made of mohair.
De zachte trui was gemaakt van mohair.

leather

/ˈleð.ɚ/

(noun) leer;

(verb) slaan, afranselen

Voorbeeld:

The jacket is made of genuine leather.
De jas is gemaakt van echt leer.

moleskin

/ˈmoʊl.skɪn/

(noun) moleskin, molvelours, moleskin pleister

Voorbeeld:

The worker wore trousers made of tough moleskin.
De arbeider droeg een broek van stevig moleskin.

muslin

/ˈmʌz.lɪn/

(noun) mousseline

Voorbeeld:

She draped the window with sheer muslin curtains.
Ze drapeerde het raam met doorschijnende mousseline gordijnen.

patent leather

/ˈpæt.ənt ˌleð.ər/

(noun) lakleer

Voorbeeld:

She wore elegant shoes made of black patent leather.
Ze droeg elegante schoenen van zwart lakleer.

polyester

/ˌpɑː.liˈes.tɚ/

(noun) polyester

Voorbeeld:

This shirt is made of 100% polyester.
Dit shirt is gemaakt van 100% polyester.

satin

/ˈsæt̬.ən/

(noun) satijn;

(adjective) satijn, glanzend

Voorbeeld:

The dress was made of luxurious satin.
De jurk was gemaakt van luxueus satijn.

silk

/sɪlk/

(noun) zijde;

(adjective) zijden

Voorbeeld:

The dress was made of pure silk.
De jurk was gemaakt van pure zijde.

nylon

/ˈnaɪ.lɑːn/

(noun) nylon

Voorbeeld:

Her stockings were made of sheer nylon.
Haar kousen waren gemaakt van doorschijnend nylon.

acrylic

/əˈkrɪl.ɪk/

(noun) acryl;

(adjective) acryl

Voorbeeld:

The artist used acrylic paints for the vibrant landscape.
De kunstenaar gebruikte acrylverf voor het levendige landschap.

cashmere

/ˈkæʃ.mɪr/

(noun) kasjmier;

(adjective) kasjmier

Voorbeeld:

She wore a luxurious cashmere sweater.
Ze droeg een luxueuze kasjmier trui.

pinstripe

/ˈpɪn.straɪp/

(noun) krijtstreep;

(adjective) krijtgestreept

Voorbeeld:

He wore a dark suit with subtle pinstripes.
Hij droeg een donker pak met subtiele krijtstrepen.

pinstriped

/ˈpɪn.straɪpt/

(adjective) krijtstreep, gestreept

Voorbeeld:

He wore a sharp pinstriped suit to the business meeting.
Hij droeg een strak krijtstreep pak naar de zakelijke bijeenkomst.

chiffon

/ʃɪˈfɑːn/

(noun) chiffon

Voorbeeld:

The dress was made of delicate chiffon.
De jurk was gemaakt van delicate chiffon.

cloth

/klɑːθ/

(noun) doek, stof

Voorbeeld:

She used a piece of cloth to wipe the table.
Ze gebruikte een stuk doek om de tafel af te vegen.

corduroy

/ˈkɔːr.də.rɔɪ/

(noun) corduroy, ribfluweel;

(adjective) corduroy, van corduroy

Voorbeeld:

She wore a jacket made of soft corduroy.
Ze droeg een jasje van zacht corduroy.

crepe

/krep/

(noun) crêpe, flensje

Voorbeeld:

She ordered a sweet crepe with strawberries and whipped cream.
Ze bestelde een zoete crêpe met aardbeien en slagroom.

flannel

/ˈflæn.əl/

(noun) flanel, waslap, doekje;

(verb) in flanel wikkelen, flanellen, om de hete brij heen draaien

Voorbeeld:

He wore a warm flannel shirt.
Hij droeg een warm flanellen overhemd.

fur

/fɝː/

(noun) vacht, bont, pels;

(verb) bekleden met bont, aanslaan

Voorbeeld:

The cat's fur was soft and shiny.
De vacht van de kat was zacht en glanzend.

wool

/wʊl/

(noun) wol, wollen stof

Voorbeeld:

This sweater is made of 100% pure wool.
Deze trui is gemaakt van 100% zuivere wol.

tartan

/ˈtɑːr.ən/

(noun) tartan, Schotse ruit;

(adjective) tartan, geruit

Voorbeeld:

He wore a kilt made of traditional Scottish tartan.
Hij droeg een kilt gemaakt van traditionele Schotse tartan.

thermal

/ˈθɝː.məl/

(adjective) thermisch, warmte-, thermo;

(noun) thermieke, opstijgende luchtstroom

Voorbeeld:

The house has excellent thermal insulation.
Het huis heeft uitstekende thermische isolatie.

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

checked

/tʃekt/

(verb) gecontroleerd, nagekeken;

(adjective) geruit, geblokt

Voorbeeld:

She checked the answers carefully before submitting the test.
Ze controleerde de antwoorden zorgvuldig voordat ze de test indiende.

suede

/sweɪd/

(noun) suède;

(adjective) suède

Voorbeeld:

She bought a new pair of suede boots.
Ze kocht een nieuw paar suède laarzen.

patterned

/ˈpæt̬.ɚnd/

(adjective) gedessineerd, met patroon, gepatroneerd

Voorbeeld:

The dress was made of a beautifully patterned fabric.
De jurk was gemaakt van een prachtig gedessineerde stof.

fleece

/fliːs/

(noun) vacht, wol, fleece;

(verb) afzetten, uitkleden

Voorbeeld:

The shepherd sheared the sheep's fleece.
De herder schoor de vacht van het schaap.

silky

/ˈsɪl.ki/

(adjective) zijdezacht, zijdeachtig, fluweelzacht

Voorbeeld:

The cat's fur was incredibly silky to the touch.
De vacht van de kat voelde ongelooflijk zijdezacht aan.

plain

/pleɪn/

(adjective) eenvoudig, gewoon, duidelijk;

(noun) vlakte, vlaktes;

(adverb) duidelijk, eenvoudig

Voorbeeld:

She prefers plain clothes without any patterns.
Ze geeft de voorkeur aan eenvoudige kleding zonder patronen.

woolen

/ˈwʊl.ən/

(adjective) wollen

Voorbeeld:

She wore a warm woolen scarf.
Ze droeg een warme wollen sjaal.

wooly

/ˈwʊl.i/

(adjective) wollig, harig, vaag

Voorbeeld:

The sheep had a thick, wooly coat.
Het schaap had een dikke, wollige vacht.

velvet

/ˈvel.vɪt/

(noun) fluweel;

(adjective) fluwelen, zacht

Voorbeeld:

The dress was made of soft red velvet.
De jurk was gemaakt van zacht rood fluweel.

paisley

/ˈpeɪz.li/

(noun) paisley, paisleypatroon;

(adjective) paisley, met paisleypatroon

Voorbeeld:

She wore a silk scarf with a beautiful paisley pattern.
Ze droeg een zijden sjaal met een prachtig paisleypatroon.

flowery

/ˈflaʊ.ɚ.i/

(adjective) bloemig, bloemen-, bloemrijk

Voorbeeld:

She wore a beautiful flowery dress to the party.
Ze droeg een prachtige bloemige jurk naar het feest.

print

/prɪnt/

(verb) printen, afdrukken, schrijven in blokletters;

(noun) afdruk, print, spoor

Voorbeeld:

The company decided to print a new edition of the book.
Het bedrijf besloot een nieuwe editie van het boek te printen.

plaid

/plæd/

(noun) ruitjespatroon, ruit;

(adjective) ruitjes, geruit

Voorbeeld:

She wore a skirt with a red and black plaid pattern.
Ze droeg een rok met een rood en zwart ruitjespatroon.

striped

/straɪpt/

(adjective) gestreept

Voorbeeld:

The zebra has a distinctive striped coat.
De zebra heeft een kenmerkende gestreepte vacht.

polka dot

/ˈpoʊl.kə ˌdɑːt/

(noun) polkadot, stippenpatroon;

(adjective) polkadot, gestippeld

Voorbeeld:

She wore a dress with a white polka dot on a blue background.
Ze droeg een jurk met een witte polkadot op een blauwe achtergrond.

dotted

/ˈdɑː.tɪd/

(adjective) gestippeld, gepunt;

(past participle) gestipt, verspreid

Voorbeeld:

The fabric had a lovely dotted pattern.
De stof had een mooi gestippeld patroon.

cotton

/ˈkɑː.t̬ən/

(noun) katoen;

(verb) goed opschieten met, mogen

Voorbeeld:

This shirt is made of 100% cotton.
Dit shirt is gemaakt van 100% katoen.

fabric

/ˈfæb.rɪk/

(noun) stof, textiel, structuur

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing fabric.
De jurk was gemaakt van een zachte, soepelvallende stof.

stripe

/straɪp/

(noun) streep, band, rangonderscheiding;

(verb) strepen, van strepen voorzien

Voorbeeld:

The zebra has black and white stripes.
De zebra heeft zwarte en witte strepen.

spotted

/ˈspɑː.t̬ɪd/

(adjective) gevlekt, gestippeld;

(verb) zag, ontdekte

Voorbeeld:

The dog had a spotted coat.
De hond had een gevlekte vacht.

tweed

/twiːd/

(noun) tweed

Voorbeeld:

He wore a classic tweed jacket.
Hij droeg een klassiek tweed jasje.

ribbed

/rɪbd/

(adjective) geribbeld, gekarteld, gebreid met ribbels;

(verb) plagen, spotten

Voorbeeld:

The sweater had a comfortable ribbed texture.
De trui had een comfortabele geribbelde textuur.

textile

/ˈtek.staɪl/

(noun) textiel, stof, textielindustrie;

(adjective) textiel-, weef-

Voorbeeld:

The company specializes in sustainable textiles for clothing.
Het bedrijf is gespecialiseerd in duurzame textiel voor kleding.

ruched

/ruːʃt/

(adjective) gerimpeld, geplooid

Voorbeeld:

The dress had a beautifully ruched bodice.
De jurk had een prachtig gerimpeld lijfje.

waterproof

/ˈwɑː.t̬ɚ.pruːf/

(adjective) waterdicht;

(verb) waterdicht maken

Voorbeeld:

This jacket is completely waterproof, so you'll stay dry in the rain.
Deze jas is volledig waterdicht, dus je blijft droog in de regen.

knit

/nɪt/

(verb) breien, genezen, samengroeien;

(noun) breiwerk, gebreide stof

Voorbeeld:

She loves to knit sweaters for her grandchildren.
Ze houdt ervan om truien te breien voor haar kleinkinderen.

denim

/ˈden.ɪm/

(noun) denim, spijkerstof

Voorbeeld:

She bought a new pair of jeans made from dark blue denim.
Ze kocht een nieuwe spijkerbroek gemaakt van donkerblauwe denim.

chintz

/tʃɪnts/

(noun) chintz;

(adjective) chintz-achtig, met chintz versierd

Voorbeeld:

The old sofa was covered in faded chintz.
De oude bank was bekleed met vervaagd chintz.

polka-dotted

/ˈpoʊl.kəˌdɑː.tɪd/

(adjective) gestippeld, met stippen

Voorbeeld:

She wore a cute polka-dotted dress to the party.
Ze droeg een schattige gestippelde jurk naar het feest.

fustian

/ˈfʌs.tʃən/

(noun) fustian, bombazijn, bombast;

(adjective) van fustian, bombastisch, zwulstig

Voorbeeld:

The tailor used a heavy fustian for the coat.
De kleermaker gebruikte een zware fustian voor de jas.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland