Vocabulaireverzameling Materialen en Patronen in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Materialen en Patronen' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kant, veter, koord;
(verb) veteren, rijgen, aanlengen
Voorbeeld:
(noun) linnen, beddengoed
Voorbeeld:
(noun) mohair
Voorbeeld:
(noun) leer;
(verb) slaan, afranselen
Voorbeeld:
(noun) moleskin, molvelours, moleskin pleister
Voorbeeld:
(noun) mousseline
Voorbeeld:
(noun) lakleer
Voorbeeld:
(noun) polyester
Voorbeeld:
(noun) satijn;
(adjective) satijn, glanzend
Voorbeeld:
(noun) zijde;
(adjective) zijden
Voorbeeld:
(noun) nylon
Voorbeeld:
(noun) acryl;
(adjective) acryl
Voorbeeld:
(noun) kasjmier;
(adjective) kasjmier
Voorbeeld:
(noun) krijtstreep;
(adjective) krijtgestreept
Voorbeeld:
(adjective) krijtstreep, gestreept
Voorbeeld:
(noun) chiffon
Voorbeeld:
(noun) doek, stof
Voorbeeld:
(noun) corduroy, ribfluweel;
(adjective) corduroy, van corduroy
Voorbeeld:
(noun) crêpe, flensje
Voorbeeld:
(noun) flanel, waslap, doekje;
(verb) in flanel wikkelen, flanellen, om de hete brij heen draaien
Voorbeeld:
(noun) vacht, bont, pels;
(verb) bekleden met bont, aanslaan
Voorbeeld:
(noun) wol, wollen stof
Voorbeeld:
(noun) tartan, Schotse ruit;
(adjective) tartan, geruit
Voorbeeld:
(adjective) thermisch, warmte-, thermo;
(noun) thermieke, opstijgende luchtstroom
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(verb) gecontroleerd, nagekeken;
(adjective) geruit, geblokt
Voorbeeld:
(noun) suède;
(adjective) suède
Voorbeeld:
(adjective) gedessineerd, met patroon, gepatroneerd
Voorbeeld:
(noun) vacht, wol, fleece;
(verb) afzetten, uitkleden
Voorbeeld:
(adjective) zijdezacht, zijdeachtig, fluweelzacht
Voorbeeld:
(adjective) eenvoudig, gewoon, duidelijk;
(noun) vlakte, vlaktes;
(adverb) duidelijk, eenvoudig
Voorbeeld:
(adjective) wollen
Voorbeeld:
(adjective) wollig, harig, vaag
Voorbeeld:
(noun) fluweel;
(adjective) fluwelen, zacht
Voorbeeld:
(noun) paisley, paisleypatroon;
(adjective) paisley, met paisleypatroon
Voorbeeld:
(adjective) bloemig, bloemen-, bloemrijk
Voorbeeld:
(verb) printen, afdrukken, schrijven in blokletters;
(noun) afdruk, print, spoor
Voorbeeld:
(noun) ruitjespatroon, ruit;
(adjective) ruitjes, geruit
Voorbeeld:
(adjective) gestreept
Voorbeeld:
(noun) polkadot, stippenpatroon;
(adjective) polkadot, gestippeld
Voorbeeld:
(adjective) gestippeld, gepunt;
(past participle) gestipt, verspreid
Voorbeeld:
(noun) katoen;
(verb) goed opschieten met, mogen
Voorbeeld:
(noun) stof, textiel, structuur
Voorbeeld:
(noun) streep, band, rangonderscheiding;
(verb) strepen, van strepen voorzien
Voorbeeld:
(adjective) gevlekt, gestippeld;
(verb) zag, ontdekte
Voorbeeld:
(noun) tweed
Voorbeeld:
(adjective) geribbeld, gekarteld, gebreid met ribbels;
(verb) plagen, spotten
Voorbeeld:
(noun) textiel, stof, textielindustrie;
(adjective) textiel-, weef-
Voorbeeld:
(adjective) gerimpeld, geplooid
Voorbeeld:
(adjective) waterdicht;
(verb) waterdicht maken
Voorbeeld:
(verb) breien, genezen, samengroeien;
(noun) breiwerk, gebreide stof
Voorbeeld:
(noun) denim, spijkerstof
Voorbeeld:
(noun) chintz;
(adjective) chintz-achtig, met chintz versierd
Voorbeeld:
(adjective) gestippeld, met stippen
Voorbeeld:
(noun) fustian, bombazijn, bombast;
(adjective) van fustian, bombastisch, zwulstig
Voorbeeld: