Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 24 - Eerste dag na promotie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 24 - Eerste dag na promotie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

accept an award

/ækˈsɛpt æn əˈwɔːrd/

(phrase) een prijs in ontvangst nemen, een award accepteren

Voorbeeld:

She was invited to the stage to accept an award for her research.
Ze werd op het podium uitgenodigd om een prijs in ontvangst te nemen voor haar onderzoek.

anniversary celebration

/ˌæn.əˈvɝː.sɚ.i ˌsel.əˈbreɪ.ʃən/

(noun) jubileumviering, jubileumfeest

Voorbeeld:

They are planning a grand anniversary celebration for their 50th wedding year.
Ze plannen een groots jubileumfeest voor hun 50-jarig huwelijk.

fire

/faɪr/

(noun) vuur, brand, schieten;

(verb) vuren, afschieten, ontslaan

Voorbeeld:

The house caught fire and burned down.
Het huis vatte vuur en brandde af.

flash

/flæʃ/

(noun) flits, bliksem, opwelling;

(verb) flitsen, schijnen, tonen;

(adjective) flitsend, plotseling

Voorbeeld:

The lightning was just a quick flash in the sky.
De bliksem was slechts een snelle flits aan de hemel.

go downstairs

/ɡoʊ ˌdaʊnˈsterz/

(phrase) naar beneden gaan

Voorbeeld:

I need to go downstairs to get my phone.
Ik moet naar beneden gaan om mijn telefoon te halen.

greenhouse

/ˈɡriːn.haʊs/

(noun) kas

Voorbeeld:

The gardener spent hours tending to the plants in the greenhouse.
De tuinman bracht uren door met het verzorgen van de planten in de kas.

gymnasium

/dʒɪmˈneɪ.zi.əm/

(noun) gymzaal, sportschool

Voorbeeld:

I go to the gymnasium three times a week to work out.
Ik ga drie keer per week naar de gymzaal om te sporten.

job title

/dʒɑːb ˈtaɪ.t̬əl/

(noun) functietitel, beroepstitel

Voorbeeld:

Please state your name and job title for the record.
Vermeld alstublieft uw naam en functietitel voor het verslag.

knob

/nɑːb/

ladder

/ˈlæd.ɚ/

(noun) ladder, hiërarchie;

(verb) op de ladder gaan, rafelen, ladders veroorzaken

Voorbeeld:

He climbed the ladder to reach the roof.
Hij klom de ladder op om het dak te bereiken.

lengthy

/ˈleŋ.θi/

(adjective) lang, langdurig

Voorbeeld:

The meeting turned into a lengthy discussion.
De vergadering mondde uit in een langdurige discussie.

move around

/muːv əˈraʊnd/

(phrasal verb) rondreizen, zich verplaatsen, verplaatsen

Voorbeeld:

I like to move around and see different parts of the city.
Ik hou ervan om rond te reizen en verschillende delen van de stad te zien.

plan

/plæn/

(noun) plan, ontwerp, plattegrond;

(verb) plannen, organiseren

Voorbeeld:

We need a solid plan to finish this project on time.
We hebben een solide plan nodig om dit project op tijd af te krijgen.

point at

/pɔɪnt æt/

(phrasal verb) wijzen naar

Voorbeeld:

It's rude to point at people.
Het is onbeleefd om naar mensen te wijzen.

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

scatter

/ˈskæt̬.ɚ/

(verb) verspreiden, strooien, uiteendrijven;

(noun) verspreiding, strooisel

Voorbeeld:

He scattered the seeds across the field.
Hij verspreidde de zaden over het veld.

send out

/send aʊt/

(phrasal verb) uitsturen, verzenden, uitzenden

Voorbeeld:

We need to send out invitations for the party.
We moeten uitnodigingen voor het feest uitsturen.

yell

/jel/

(noun) gil, schreeuw;

(verb) schreeuwen, gillen

Voorbeeld:

He let out a yell of pain.
Hij slaakte een gil van pijn.

appointment

/əˈpɔɪnt.mənt/

(noun) afspraak, benoeming, aanstelling

Voorbeeld:

I have a doctor's appointment at 3 PM.
Ik heb een doktersafspraak om 15.00 uur.

characteristic

/ˌker.ək.təˈrɪs.tɪk/

(noun) kenmerk, eigenschap;

(adjective) kenmerkend, typisch

Voorbeeld:

One characteristic of a good leader is integrity.
Een kenmerk van een goede leider is integriteit.

helping

/ˈhel.pɪŋ/

(noun) hulp, assistentie, portie;

(adjective) helpende, ondersteunend

Voorbeeld:

Thank you for your helping hand.
Bedankt voor je helpende hand.

hopeful

/ˈhoʊp.fəl/

(adjective) hoopvol, optimistisch;

(noun) hoopvolle, kandidaat

Voorbeeld:

She felt hopeful about her chances of getting the job.
Ze voelde zich hoopvol over haar kansen om de baan te krijgen.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

resign

/rɪˈzaɪn/

(verb) aftreden, ontslag nemen, berusten in

Voorbeeld:

She decided to resign from her position as CEO.
Ze besloot haar functie als CEO neer te leggen.

role

/roʊl/

(noun) rol, functie

Voorbeeld:

She played the leading role in the new movie.
Ze speelde de hoofdrol in de nieuwe film.

safeguard

/ˈseɪf.ɡɑːrd/

(noun) waarborg, bescherming, veiligheidsmaatregel;

(verb) beschermen, beveiligen, vrijwaren

Voorbeeld:

The new law provides a safeguard against discrimination.
De nieuwe wet biedt een waarborg tegen discriminatie.

throughout the day

/θruːˈaʊt ðə deɪ/

(phrase) de hele dag, gedurende de dag

Voorbeeld:

She worked throughout the day to finish the project.
Ze werkte de hele dag door om het project af te maken.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland