Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 20 - Geld besparen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 20 - Geld besparen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

abundant

/əˈbʌn.dənt/

(adjective) overvloedig, rijk, ruim

Voorbeeld:

Water is abundant in the region.
Water is overvloedig in de regio.

contest

/ˈkɑːn.test/

(noun) wedstrijd, competitie;

(verb) aanvechten, betwisten, strijden om

Voorbeeld:

She won the singing contest.
Ze won de zangwedstrijd.

glass cabinet

/ɡlæs ˈkæb.ə.nət/

(noun) glazen kast, vitrinekast

Voorbeeld:

She keeps her collection of antique dolls in a glass cabinet.
Ze bewaart haar collectie antieke poppen in een glazen kast.

picture

/ˈpɪk.tʃɚ/

(noun) foto, schilderij, afbeelding;

(verb) afbeelden, fotograferen, schilderen

Voorbeeld:

She hung a beautiful picture on the wall.
Ze hing een mooie foto aan de muur.

powerful

/ˈpaʊ.ɚ.fəl/

(adjective) krachtig, machtig, sterk

Voorbeeld:

He delivered a powerful speech that moved the audience.
Hij hield een krachtige toespraak die het publiek raakte.

shore

/ʃɔːr/

(noun) oever, kust;

(verb) stutten, ondersteunen

Voorbeeld:

We walked along the shore, collecting seashells.
We liepen langs de oever, schelpen verzamelend.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

addition

/əˈdɪʃ.ən/

(noun) toevoeging, aanvulling, optellen

Voorbeeld:

The addition of sugar made the cake sweeter.
De toevoeging van suiker maakte de cake zoeter.

attack

/əˈtæk/

(noun) aanval, kritiek;

(verb) aanvallen, bekritiseren

Voorbeeld:

The army launched a surprise attack on the enemy.
Het leger lanceerde een verrassingsaanval op de vijand.

double

/ˈdʌb.əl/

(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;

(verb) verdubbelen;

(adverb) dubbel, twee keer zoveel;

(noun) dubbele, tweehonkslag

Voorbeeld:

She ordered a double espresso.
Ze bestelde een dubbele espresso.

expressive

/ɪkˈspres.ɪv/

(adjective) expressief, uitdrukkingsvol

Voorbeeld:

Her eyes were very expressive, showing all her emotions.
Haar ogen waren erg expressief en toonden al haar emoties.

fund

/fʌnd/

(noun) fonds, kapitaal, voorraad;

(verb) financieren, bekostigen

Voorbeeld:

The university established a new fund for student scholarships.
De universiteit heeft een nieuw fonds opgericht voor studentenbeurzen.

funding

/ˈfʌn.dɪŋ/

(noun) financiering, geldmiddelen

Voorbeeld:

The project received substantial funding from the government.
Het project ontving aanzienlijke financiering van de overheid.

generate

/ˈdʒen.ə.reɪt/

(verb) genereren, produceren, creëren

Voorbeeld:

The new system will generate a lot of data.
Het nieuwe systeem zal veel gegevens genereren.

in the coming year

/ɪn ðə ˈkʌm.ɪŋ jɪr/

(phrase) in het komende jaar, volgend jaar

Voorbeeld:

We plan to expand our business in the coming year.
We zijn van plan ons bedrijf in het komende jaar uit te breiden.

in the direction of

/ɪn ðə dɪˈrɛk.ʃən ʌv/

(phrase) in de richting van

Voorbeeld:

He walked in the direction of the park.
Hij liep in de richting van het park.

model number

/ˈmɑdəl ˈnʌmbər/

(noun) modelnummer

Voorbeeld:

Please provide the model number of your device when contacting customer support.
Gelieve het modelnummer van uw apparaat op te geven wanneer u contact opneemt met de klantenservice.

overcome

/ˌoʊ.vɚˈkʌm/

(verb) overwinnen, overkomen, overmand worden door;

(adjective) overmand, uitgeput

Voorbeeld:

She managed to overcome her fear of public speaking.
Ze slaagde erin haar angst voor spreken in het openbaar te overwinnen.

proper

/ˈprɑː.pɚ/

(adjective) echt, juist, gepast;

(adverb) helemaal, echt

Voorbeeld:

We didn't have a proper conversation.
We hebben geen echt gesprek gehad.

question

/ˈkwes.tʃən/

(noun) vraag, vraagstuk, kwestie;

(verb) ondervragen, bevragen, betwijfelen

Voorbeeld:

She asked a difficult question.
Ze stelde een moeilijke vraag.

rare

/rer/

(adjective) zeldzaam, ongewoon, rood

Voorbeeld:

It's rare to see snow in this region.
Het is zeldzaam om sneeuw te zien in deze regio.

score

/skɔːr/

(noun) score, puntentotaal, twintigtal;

(verb) scoren, punten maken, inkerven

Voorbeeld:

What's the final score of the game?
Wat is de eindstand van de wedstrijd?

senior

/ˈsiː.njɚ/

(noun) senior, oudere, laatstejaars;

(adjective) senior, ouder, hoger in rang

Voorbeeld:

She is a senior manager in the company.
Zij is een senior manager in het bedrijf.

spending

/ˈspen.dɪŋ/

(noun) uitgaven, besteding;

(verb) uitgeven, doorbrengen

Voorbeeld:

Government spending on education has increased.
De overheidsuitgaven aan onderwijs zijn toegenomen.

temporary

/ˈtem.pə.rer.i/

(adjective) tijdelijk, voorlopig

Voorbeeld:

The job is only temporary.
De baan is slechts tijdelijk.

theme

/θiːm/

(noun) thema, onderwerp, melodie;

(verb) thematiseren, een thema geven

Voorbeeld:

The main theme of the novel is love and loss.
Het hoofdthema van de roman is liefde en verlies.

traditional

/trəˈdɪʃ.ən.əl/

(adjective) traditioneel, gebruikelijk

Voorbeeld:

The village still follows traditional customs.
Het dorp volgt nog steeds traditionele gebruiken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland