Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 14 - Doel van de zakenreis: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 14 - Doel van de zakenreis' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) internationaal;
(noun) interland, internationale wedstrijd
Voorbeeld:
(noun) aantrekkingskracht, attractie, aantrekkingspunt
Voorbeeld:
(noun) reisschema, reisplan
Voorbeeld:
(adjective) exotisch, vreemd, bijzonder
Voorbeeld:
(adjective) divers, verschillend
Voorbeeld:
(adjective) uitstekend, geweldig, subliem
Voorbeeld:
(noun) bagage, koffers, emotionele bagage
Voorbeeld:
(noun) bestemming
Voorbeeld:
(adjective) kwijt, vermist, missend
Voorbeeld:
(verb) lokaliseren, vinden, vestigen
Voorbeeld:
(adverb) ongeveer, circa
Voorbeeld:
(noun) plicht, verantwoordelijkheid, accijns
Voorbeeld:
(noun) proces, gang van zaken, natuurlijk proces;
(verb) verwerken, bewerken, afhandelen
Voorbeeld:
(noun) plank, bord, raad;
(verb) instappen, aan boord gaan, huisvesten
Voorbeeld:
(adjective) comfortabel, gemakkelijk, op zijn gemak
Voorbeeld:
(verb) verklaren, aankondigen, aangeven
Voorbeeld:
(verb) specificeren, preciseren
Voorbeeld:
(verb) vertrekken, afreizen, afwijken
Voorbeeld:
(noun) noodgeval, spoedgeval;
(adjective) nood, spoed
Voorbeeld:
(noun) passagier, reiziger
Voorbeeld:
(adjective) uitgaand, sociaal, vertrekkend
Voorbeeld:
(adverb) stevig, strak, dicht
Voorbeeld:
(noun) rondreis, tournee, rondleiding;
(verb) toeren, rondreizen
Voorbeeld:
(noun) drager, vervoerder, provider
Voorbeeld:
(adverb) doorgaans, gewoonlijk, traditioneel
Voorbeeld:
(verb) verwarren, in de war brengen, verwisselen
Voorbeeld:
(verb) aankomen, bereiken, aanbreken
Voorbeeld:
(noun) brochure, folder
Voorbeeld:
(verb) betrekken, omvatten, inhouden
Voorbeeld:
(noun) schip, vaartuig;
(verb) verzenden, vervoeren
Voorbeeld:
(noun) koffer, reiskoffer
Voorbeeld:
(adjective) niet beschikbaar, onverkrijgbaar, bezet
Voorbeeld:
(phrasal verb) invullen, aanvullen, aankomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) invullen, aanvullen, bijpraten
Voorbeeld:
(noun) douane, gewoonte, gebruik
Voorbeeld:
(adverb) weg, af, door;
(adjective) verderop, weg
Voorbeeld:
(adjective) dramatisch, theatraal, ingrijpend
Voorbeeld:
(noun) gastvrijheid
Voorbeeld:
(verb) genieten van, zich overgeven aan, verwennen
Voorbeeld:
(noun) nabijheid, dichtbijheid
Voorbeeld:
(noun) zitplaatsen, plaatsing, zitgelegenheid
Voorbeeld:
(adjective) onbeperkt
Voorbeeld: