Vocabulaireverzameling Muziek in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Muziek' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) akoestisch;
(noun) akoestische gitaar, akoestisch instrument
Voorbeeld:
(adjective) instrumenteel, behulpzaam, belangrijk;
(noun) instrumentaal stuk, instrumentale muziek
Voorbeeld:
(noun) vinyl, vinylplaten, lp's
Voorbeeld:
(noun) melodie, deun, stemming;
(verb) stemmen, afstemmen, instellen
Voorbeeld:
(noun) soundtrack, filmmuziek
Voorbeeld:
(noun) orkest, orkestbak, orkestruimte
Voorbeeld:
(noun) vers, couplet;
(verb) verzen maken, dichten
Voorbeeld:
(noun) refrein, koor, zangkoor;
(verb) in koor roepen, samen zingen
Voorbeeld:
(noun) versterker
Voorbeeld:
(verb) slaan, afranselen, verslaan;
(noun) beat, ritme, slag;
(adjective) uitgeput, moe
Voorbeeld:
(noun) koor
Voorbeeld:
(verb) componeren, schrijven, bestaan uit
Voorbeeld:
(noun) gedrag, verloop, beheer;
(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren
Voorbeeld:
(noun) dirigent, geleider, conducteur
Voorbeeld:
(noun) duo, tweetal
Voorbeeld:
(noun) aantekening, notitie, briefje;
(verb) opmerken, noteren, opschrijven
Voorbeeld:
(adjective) vlak, plat, dun;
(noun) appartement, flat;
(adverb) plat, horizontaal
Voorbeeld:
(adjective) scherp, intens, intelligent;
(adverb) stipt, scherp;
(noun) kruis
Voorbeeld:
(noun) harmonie, overeenstemming
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, groot, ernstig;
(noun) majoor, hoofdvak, studierichting;
(verb) specialiseren in, hoofdvak hebben in
Voorbeeld:
(adjective) klein, gering, onbelangrijk;
(noun) minderjarige
Voorbeeld:
(noun) toonhoogte, worp, gooi;
(verb) gooien, werpen, opzetten
Voorbeeld:
(noun) ritme, regelmaat
Voorbeeld:
(noun) tempo, snelheid, gang
Voorbeeld:
(noun) meter, teller, metrum;
(verb) meten, tellen
Voorbeeld:
(noun) touw, draad, snaar;
(verb) rijgen, ophangen, spannen
Voorbeeld:
(noun) recital, uitvoering, opsomming
Voorbeeld:
(verb) plukken, uittrekken, redden;
(noun) moed, lef
Voorbeeld:
(noun) schaal, omvang, schub;
(verb) beklimmen, bestijgen, schubben
Voorbeeld:
(noun) solo, alleen;
(adverb) alleen, solo;
(verb) solo spelen, alleen uitvoeren;
(adjective) solo, alleen
Voorbeeld:
(adjective) enkel, enig, alleenstaand;
(noun) enkel, eenpersoons;
(verb) een honkslag slaan
Voorbeeld:
(noun) componist
Voorbeeld: