Vocabulaireverzameling Getallen en breuken in SAT-woordenschat voor wiskunde en logica: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Getallen en breuken' in 'SAT-woordenschat voor wiskunde en logica' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) grootste deel, meerderheid, omvang;
(verb) aankomen, uitbreiden
Voorbeeld:
(noun) golf, vlaag, reeks
Voorbeeld:
(noun) verzameling, scala, reeks;
(verb) opstellen, schikken, ordenen
Voorbeeld:
(noun) assortiment, selectie, verscheidenheid
Voorbeeld:
(noun) talloze, myriade;
(adjective) talloos, ontelbaar
Voorbeeld:
(noun) groot aantal, reeks;
(past tense) versloeg, doodde;
(verb) slippen, draaien, zwenken
Voorbeeld:
(noun) partij, hoeveelheid, groep;
(verb) groeperen, batchverwerken
Voorbeeld:
(noun) school, zwerm, ondiepte;
(verb) ondieper worden, verlanden, scholen
Voorbeeld:
(noun) gastheer, gastvrouw, menigte;
(verb) hosten, organiseren, onderbrengen
Voorbeeld:
(noun) overvloed, pléthora
Voorbeeld:
(noun) schoof, bundel, pak;
(verb) schoven, bundelen
Voorbeeld:
(noun) peul, capsule, houder;
(verb) doppen, schillen
Voorbeeld:
(noun) paneel, plaat, panel;
(verb) bekleden, betimmeren
Voorbeeld:
(adverb) daaromtrent, ongeveer
Voorbeeld:
(noun) proliferatie, verspreiding, toename
Voorbeeld:
(noun) overvloed, rijkdom
Voorbeeld:
(noun) overvloed, weelde
Voorbeeld:
(noun) berekening, schatting, afrekening
Voorbeeld:
(noun) tekort, deficiëntie
Voorbeeld:
(noun) gebrek, schaarste
Voorbeeld:
(noun) explosie, ontploffing, snelle toename
Voorbeeld:
(noun) verhouding, aandeel, proportie;
(verb) proportioneel maken, afmeten
Voorbeeld:
(adjective) talloos, talrijk
Voorbeeld:
(adjective) ruim, voldoende, overvloedig
Voorbeeld:
(adjective) ontelbaar, talloos
Voorbeeld:
(adjective) overvloedig, rijk, gul
Voorbeeld:
(adjective) geschat, ongeveer;
(verb) benaderen, schatten
Voorbeeld:
(adjective) ontoereikend, onvoldoende, gebrekkig
Voorbeeld:
(adjective) onvoldoende, ontoereikend
Voorbeeld:
(adjective) eindig, begrensd, persoonsvormig
Voorbeeld:
(adjective) schaars, zeldzaam, weinig voorkomend
Voorbeeld:
(adjective) overvloedig, ruim, volop
Voorbeeld:
(adjective) algemeen, totaal;
(adverb) over het algemeen, in het algemeen;
(noun) overall, tuinbroek
Voorbeeld:
(adjective) binair;
(noun) binair stelsel
Voorbeeld:
(adjective) vruchtbaar, productief
Voorbeeld:
(adjective) cumulatief, opeenhopend
Voorbeeld:
(adjective) veelzijdig, uiteenlopend
Voorbeeld:
(adverb) vrijwel, nagenoeg, virtueel
Voorbeeld:
(adverb) alleen, uitsluitend
Voorbeeld:
(adverb) uitsluitend, exclusief
Voorbeeld:
(adverb) spaarsamig, zuinig, met mate
Voorbeeld:
(adjective) rond, volledig;
(noun) ronde, schot, kogel;
(verb) rondgaan, afronden;
(adverb) rond, omheen;
(preposition) rond, om
Voorbeeld:
(noun) getal, nummer, aantal;
(verb) bedragen, tellen, nummeren
Voorbeeld:
(noun) piek, hoogtepunt, top;
(verb) pieken, een hoogtepunt bereiken;
(adjective) piek, hoogtepunt
Voorbeeld:
(noun) meter, wijzer, dikte;
(verb) meten, peilen, inschatten
Voorbeeld:
(verb) overvloedig zijn, wimmelen
Voorbeeld:
(verb) in de meerderheid zijn, overtreffen in aantal
Voorbeeld: