Vocabulaireverzameling Belang in SAT-woordenschat voor wiskunde en logica: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Belang' in 'SAT-woordenschat voor wiskunde en logica' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) aanzienlijk, flink
Voorbeeld:
(adjective) prominent, opvallend, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) opvallend, belangrijk, saillant;
(noun) saillant, uitstulping
Voorbeeld:
(adjective) leidend, toonaangevend, voornaamste
Voorbeeld:
(adjective) gedenkwaardig, belangrijk, ingrijpend
Voorbeeld:
(noun) kardinaal, rode kardinaal;
(adjective) fundamenteel, essentieel, hoofd-
Voorbeeld:
(adjective) integraal, essentieel, geheel;
(noun) integraal
Voorbeeld:
(adjective) aanzienlijk, substantieel, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) cruciaal, essentieel, doorslaggevend
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, ingrijpend, gevolgrijk
Voorbeeld:
(adjective) onmisbaar, essentieel
Voorbeeld:
(adjective) primair, hoofd-, oorspronkelijk;
(noun) voorverkiezing, primaire verkiezing
Voorbeeld:
(adjective) fundamenteel, essentieel;
(noun) grondbeginselen, basisprincipes
Voorbeeld:
(adjective) opmerkelijk, vermeldenswaardig, aandacht waard
Voorbeeld:
(noun) directeur, schoolhoofd, hoofdsom;
(adjective) voornaamste, belangrijkste, hoofd-
Voorbeeld:
(adjective) cruciaal, essentieel, doorslaggevend
Voorbeeld:
(adjective) vitaal, essentieel, cruciaal
Voorbeeld:
(adjective) overgewaardeerd
Voorbeeld:
(noun) graf;
(adjective) ernstig, plechtig, zwaar;
(verb) graveren, snijden
Voorbeeld:
(noun) stamhoofd, leider, hoofd;
(adjective) voornaamste, belangrijkste
Voorbeeld:
(adjective) van onschatbare waarde, onmisbaar, zeer waardevol
Voorbeeld:
(adjective) vereist, noodzakelijk;
(noun) vereiste, voorwaarde
Voorbeeld:
(noun) partytent, feesttent, luifel;
(adjective) belangrijk, prominent, top
Voorbeeld:
(adjective) intrinsiek, wezenlijk, inherent
Voorbeeld:
(adjective) invloedrijk, gezaghebbend
Voorbeeld:
(adjective) marginaal, rand-, bijkomstig
Voorbeeld:
(adjective) nutteloos, zinloos, tevergeefs
Voorbeeld:
(adjective) irrelevant, onbelangrijk
Voorbeeld:
(adjective) perifeer, aan de rand gelegen;
(noun) randapparaat, perifeer apparaat
Voorbeeld:
(adjective) onderdanig, dienstig, ondergeschikt
Voorbeeld:
(adjective) verwaarloosbaar, onbeduidend
Voorbeeld:
(adjective) triviaal, onbelangrijk, onbeduidend
Voorbeeld:
(adjective) overbodig, redundant, overtollig
Voorbeeld:
(noun) urgentie, dringendheid
Voorbeeld:
(noun) voorrang, prioriteit
Voorbeeld:
(noun) gekraak, knarsen, crisis;
(verb) kraken, knarsen, verwerken
Voorbeeld:
(adjective) noodzakelijk, cruciaal, dringend;
(noun) noodzaak, gebod, gebiedende wijs
Voorbeeld:
(noun) hoeksteen, fundament
Voorbeeld:
(noun) voorhoede, voorgrond
Voorbeeld:
(noun) prominentie, bekendheid, belang
Voorbeeld:
(verb) overdrijven, overschatten
Voorbeeld:
(noun) voorgrond, prominente positie;
(verb) benadrukken, op de voorgrond plaatsen
Voorbeeld:
(verb) prioriteren, voorrang geven aan
Voorbeeld:
(verb) opwegen tegen, zwaarder wegen dan
Voorbeeld:
(verb) onderschatten
Voorbeeld:
(verb) bagatelliseren, minimaliseren
Voorbeeld:
(adjective) licht, bleek;
(verb) verbleken, in het niet vallen;
(noun) grens, omheining
Voorbeeld:
(verb) overdrijven
Voorbeeld:
(verb) onderstrepen, benadrukken;
(noun) onderstreping, underscore
Voorbeeld:
(noun) schat, rijkdom, lieveling;
(verb) koesteren, hoogachten
Voorbeeld:
(verb) overbenadrukken, te veel nadruk leggen op
Voorbeeld:
(adverb) prominent, opvallend, duidelijk
Voorbeeld:
(adverb) dringend, gebiedend
Voorbeeld: