Vocabulaireverzameling Hulpbronnen en voedsel in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Hulpbronnen en voedsel' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) quotum, aandeel, limiet
Voorbeeld:
(noun) verbruik, consumptie, inname
Voorbeeld:
(noun) aanvulling, aanvullen, bijvullen
Voorbeeld:
(noun) beschikbaarheid, verkrijgbaarheid, vrije tijd
Voorbeeld:
(plural noun) aalmoezen
Voorbeeld:
(noun) middel, hulpbron, vindingrijkheid;
(verb) voorzien van middelen, uitrusten
Voorbeeld:
(noun) toelage, vergoeding, zakgeld
Voorbeeld:
(noun) ontbering, tekort, beroving
Voorbeeld:
(noun) hongersnood, voedselschaarste
Voorbeeld:
(noun) hongersnood, verhongering
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, perceel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(verb) foerageren, zoeken naar voedsel;
(noun) voer, foerage
Voorbeeld:
(verb) schuimen, verzamelen, zoeken
Voorbeeld:
(verb) uitputten, verbruiken, uitmergelen
Voorbeeld:
(verb) verkwisten, verspillen
Voorbeeld:
(verb) besteden, verbruiken
Voorbeeld:
(verb) toewijzen, verdelen, toekennen
Voorbeeld:
(verb) toewijzen, toedelen
Voorbeeld:
(adjective) onuitputtelijk, onbeperkt
Voorbeeld:
(adjective) zuinig, spaarzaam
Voorbeeld:
(adjective) kosteneffectief, rendabel
Voorbeeld:
(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk
Voorbeeld:
(adjective) herbruikbaar
Voorbeeld:
(adjective) niet-hernieuwbaar
Voorbeeld:
(adjective) aanvullend, extra
Voorbeeld:
(noun) deeg, gebak, patisserie
Voorbeeld:
(noun) dumpling, knoedel, dikkerdje
Voorbeeld:
(noun) bouillon, soep
Voorbeeld:
(noun) pap, grutten
Voorbeeld:
(noun) fudge, karamel;
(verb) verdoezelen, ontwijken, manipuleren;
(exclamation) verdorie, bah
Voorbeeld:
(noun) drank, alcohol, kookvocht
Voorbeeld:
(noun) minestrone
Voorbeeld:
(noun) kalfsvlees
Voorbeeld:
(noun) rijsmiddel, gist, verlichting;
(verb) doen rijzen, verlichten
Voorbeeld:
(noun) borststuk, runderborst
Voorbeeld:
(noun) basis, hoofdbestanddeel, nietje;
(verb) nieten, vastnieten;
(adjective) standaard, essentieel
Voorbeeld:
(noun) puree;
(verb) purere, fijnprakken
Voorbeeld:
(noun) beslag, slagman;
(verb) beuken, rammen, beschadigen
Voorbeeld:
(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor
Voorbeeld:
(noun) hoofdgerecht, toegang, entree
Voorbeeld:
(noun) catering, voedselvoorziening
Voorbeeld:
(noun) keuken, kookkunst
Voorbeeld:
(verb) hunkeren naar, snakken naar, begeren
Voorbeeld:
(noun) kloof, ravijn;
(verb) volproppen, schrokken
Voorbeeld:
(verb) verslinden, opslokken, verteren
Voorbeeld:
(verb) schrokken, opschrokken, kalkoenen;
(noun) kalkoengeluid
Voorbeeld:
(verb) kauwen
Voorbeeld:
(verb) kauwen, happen;
(noun) hap, kauw
Voorbeeld:
(adjective) culinair, kook-
Voorbeeld:
(adjective) hongerig, gulzig, onverzadigbaar
Voorbeeld: