Vocabulaireverzameling Negatieve en neutrale houdingen in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Negatieve en neutrale houdingen' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) verontwaardiging, verbolgenheid
Voorbeeld:
(noun) scepticisme, twijfel
Voorbeeld:
(noun) cynisme, wantrouwen
Voorbeeld:
(noun) zelfgenoegzaamheid, voldaanheid
Voorbeeld:
(noun) minachting, verachting, minachting van het hof
Voorbeeld:
(noun) minachting, dedain;
(verb) minachten, versmaden
Voorbeeld:
(noun) wrok, haat, verontwaardiging
Voorbeeld:
(noun) manie, obsessie
Voorbeeld:
(adjective) brutaal, onbeschaamd, koperen;
(verb) zich er brutaal doorheen slaan
Voorbeeld:
(adjective) somber, zwartgallig
Voorbeeld:
(adjective) zwijgzaam, somber, nors
Voorbeeld:
(adjective) wispelturig, veranderlijk, kwik-
Voorbeeld:
(adjective) verlegen, beschaamd
Voorbeeld:
(adjective) sarcastisch, spottend
Voorbeeld:
(adjective) snobistisch, verwaand
Voorbeeld:
(adverb) uit het hoofd, voor de vuist weg;
(adjective) onverschillig, nonchalant
Voorbeeld:
(adjective) pejoratief, ongunstig;
(noun) pejoratief, scheldwoord
Voorbeeld:
(adjective) opzettelijk, bewust, eigenzinnig
Voorbeeld:
(adjective) ontevreden, misnoegd
Voorbeeld:
(adjective) pessimistisch
Voorbeeld:
(noun) wantrouwen;
(verb) wantrouwen
Voorbeeld:
(verb) kleineren, minachten
Voorbeeld:
(verb) betuttelen, neerbuigend behandelen, steunen
Voorbeeld:
(verb) giechelen, grinniken;
(noun) giechel, grinnik
Voorbeeld:
(verb) bespotten, spotten, nadoen;
(adjective) nep, namaak, gesimuleerd
Voorbeeld:
(verb) spotten, bespotten, schrokken
Voorbeeld:
(noun) frons, boze blik;
(verb) fronsen, boos kijken
Voorbeeld:
(adverb) hooghartig, neerbuigend
Voorbeeld:
(adverb) schaamteloos, flagrant
Voorbeeld:
(adverb) pretentieus, aanstellerig
Voorbeeld:
(noun) aard, karakter, aanleg
Voorbeeld:
(noun) apathie, onverschilligheid
Voorbeeld:
(noun) reserve, voorraad, reservaat;
(verb) reserveren, voorbehouden, behouden;
(adjective) reserve, extra
Voorbeeld:
(adjective) aarzelend, onzeker
Voorbeeld:
(adjective) uitgesproken, vrijmoedig
Voorbeeld:
(adjective) direct, openhartig, eerlijk
Voorbeeld:
(adjective) bot, stomp, direct;
(verb) bot maken, afstompen
Voorbeeld:
(adjective) eerlijk, openhartig, oprecht
Voorbeeld:
(adjective) verlegen, beschroomd
Voorbeeld:
(adjective) ernstig, plechtig
Voorbeeld:
(noun) doel, objectief;
(adjective) objectief, onpartijdig
Voorbeeld:
(adjective) nuchter, zakelijk
Voorbeeld:
(adjective) verlegen, bang, schuchter
Voorbeeld:
(adjective) losstaand, afzonderlijk, afstandelijk
Voorbeeld:
(adjective) streng, ernstig;
(noun) achtersteven, achterkant
Voorbeeld:
(adjective) teruggetrokken, introvert, ingetrokken;
(past participle) teruggetrokken, opgenomen
Voorbeeld:
(adjective) tijdeloos, ongebreideld, klimmend
Voorbeeld:
(adjective) vatbaar, gevoelig, geneigd
Voorbeeld:
(adjective) passend, geschikt, geneigd
Voorbeeld:
(adverb) berustend, gelaten
Voorbeeld:
(adverb) onbewogen, gevoelloos
Voorbeeld: