Avatar of Vocabulary Set Neem deel aan verbale communicatie

Vocabulaireverzameling Neem deel aan verbale communicatie in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Neem deel aan verbale communicatie' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

announce

/əˈnaʊns/

(verb) aankondigen, bekendmaken, melden

Voorbeeld:

The company will announce its new product next month.
Het bedrijf zal volgende maand zijn nieuwe product aankondigen.

communicate

/kəˈmjuː.nə.keɪt/

(verb) communiceren, overbrengen, verspreiden

Voorbeeld:

They communicate primarily through email.
Ze communiceren voornamelijk via e-mail.

chat

/tʃæt/

(verb) praten, kletsen;

(noun) praatje, babbel

Voorbeeld:

We spent hours chatting about everything.
We hebben urenlang over alles gepraat.

narrate

/nəˈreɪt/

(verb) vertellen, verhalen

Voorbeeld:

He decided to narrate his adventures in a book.
Hij besloot zijn avonturen in een boek te vertellen.

mention

/ˈmen.ʃən/

(verb) vermelden, noemen;

(noun) vermelding, aanduiding

Voorbeeld:

Did he mention where he was going?
Heeft hij vermeld waar hij heen ging?

dialogue

/ˈdaɪ.ə.lɑːɡ/

(noun) dialoog, gesprek, overleg;

(verb) dialogeren, overleggen

Voorbeeld:

The movie had excellent dialogue, making the characters feel real.
De film had uitstekende dialoog, waardoor de personages echt aanvoelden.

discuss

/dɪˈskʌs/

(verb) bespreken, discussiëren

Voorbeeld:

Let's discuss the new project during the meeting.
Laten we het nieuwe project bespreken tijdens de vergadering.

gossip

/ˈɡɑː.səp/

(noun) roddel, achterklap;

(verb) roddelen, achterklappen

Voorbeeld:

I heard some interesting gossip about the new manager.
Ik hoorde wat interessante roddels over de nieuwe manager.

debate

/dɪˈbeɪt/

(noun) debat, discussie;

(verb) debatteren, bediscussiëren

Voorbeeld:

The candidates will participate in a televised debate tonight.
De kandidaten zullen vanavond deelnemen aan een televisiedebat.

state

/steɪt/

(noun) staat, toestand;

(verb) verklaren, stellen

Voorbeeld:

The United States is a large country.
De Verenigde Staten is een groot land.

talk

/tɑːk/

(verb) praten, spreken, lezing geven;

(noun) gesprek, praatje, lezing

Voorbeeld:

Can we talk for a moment?
Kunnen we even praten?

argue

/ˈɑːrɡ.juː/

(verb) betogen, pleiten, ruziën

Voorbeeld:

The lawyer tried to argue that his client was innocent.
De advocaat probeerde te betogen dat zijn cliënt onschuldig was.

interact

/ˌɪn.t̬ɚˈækt/

(verb) interageren, op elkaar inwerken

Voorbeeld:

The two chemicals interact to form a new compound.
De twee chemicaliën interageren om een nieuwe verbinding te vormen.

negotiate

/nəˈɡoʊ.ʃi.eɪt/

(verb) onderhandelen, nemen, doorstaan

Voorbeeld:

The two sides agreed to negotiate a peace treaty.
De twee partijen kwamen overeen om over een vredesverdrag te onderhandelen.

report

/rɪˈpɔːrt/

(noun) rapport, verslag, knal;

(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan

Voorbeeld:

The police issued a report on the incident.
De politie heeft een rapport over het incident uitgebracht.

tell

/tel/

(verb) vertellen, zeggen, onderscheiden;

(noun) teken, aanwijzing

Voorbeeld:

Can you tell me your name?
Kun je me je naam vertellen?

declare

/dɪˈkler/

(verb) verklaren, aankondigen, aangeven

Voorbeeld:

The government declared a state of emergency.
De regering kondigde de noodtoestand af.

indicate

/ˈɪn.də.keɪt/

(verb) aangeven, wijzen op, duiden op

Voorbeeld:

Please indicate your preference by checking the box.
Gelieve uw voorkeur aan te geven door het vakje aan te vinken.

point out

/pɔɪnt aʊt/

(phrasal verb) aanwijzen, wijzen op, opmerken

Voorbeeld:

She pointed out the star in the night sky.
Ze wees de ster aan in de nachtelijke hemel.

speak

/spiːk/

(verb) spreken, praten, een lezing geven

Voorbeeld:

He didn't speak a word.
Hij sprak geen woord.

whisper

/ˈwɪs.pɚ/

(verb) fluisteren;

(noun) fluistering

Voorbeeld:

She leaned in to whisper a secret in his ear.
Ze leunde voorover om een geheim in zijn oor te fluisteren.

shout

/ʃaʊt/

(verb) schreeuwen, roepen;

(noun) schreeuw, roep

Voorbeeld:

She had to shout to be heard over the music.
Ze moest schreeuwen om boven de muziek uit te komen.

mumble

/ˈmʌm.bəl/

(verb) mompelen, binnensmonds praten;

(noun) gemompel

Voorbeeld:

She mumbled something about being too tired to go out.
Ze mompelde iets over te moe zijn om uit te gaan.

socialize

/ˈsoʊ.ʃə.laɪz/

(verb) socialiseren, omgaan met mensen, opvoeden tot maatschappelijk aanvaardbaar gedrag

Voorbeeld:

She likes to socialize with her friends on weekends.
Ze houdt ervan om in het weekend met haar vrienden te socialiseren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland